Column

Hoop voor de kerk, hoop voor de wereld

In juni van dit jaar begeleidde ik een groep studenten die op de drempel van het predikantschap staan. Hun studie zit er bijna op, ze hebben allerlei stages gelopen in kerken en op andere plekken waar geestelijk verzorgers werken: in de gevangenis, het leger, het ziekenhuis. Ze hebben kerkdiensten moeten bezoeken van allerlei verschillende kerken en bewegingen en ze hebben gesprekken moeten voeren met priesters en pinkstervoorgangers, met atheïsten en imams. De vraag die deze twee weken centraal stond, was: hoe kun je de boodschap van het evangelie vertolken voor een niet-kerkelijke wereld? Hoe kun je daarin trouw zijn aan God en trouw aan jezelf, zodat je getuigenis een oprechte dienst aan de je medemensen is?
Van de twintig studenten met wie we werkten, hopen de meesten over een jaar predikant te zijn. Het trof me diep dat ze veel minder dan ‘wij vroeger’ in hokjes en vakjes denken. Vrouwen uit gereformeerde-bondsgemeenten zoeken de mogelijkheid om predikant te zijn zonder ‘naar links’ te hoeven opschuiven. Jongeren uit Pinksterkerken willen predikant in de Protestantse Kerk worden om met hun opgewekte geloof aansluiting te vinden bij oude tradities en bij de oecumenische beweging. Ze zijn niet bang voor de ontmoeting met christenen die hun geloof heel anders verwoorden en uitleven dan zijzelf. Optrekken met zo’n groep vervult me met hoop en dankbaarheid.
Deze enthousiaste nieuwe lichting predikanten zal aantreden in een krimpende kerk die gebouwen verkoopt en arbeidsplaatsen schrapt. Maar gelukkig proberen ze de kerk niet te redden door de muren hoog op te trekken en de gelederen te sluiten. Ze willen niet ‘de laatste der Mohikanen’ zijn, vertegenwoordigers van een uitstervend ras – ze zoeken wegen en vormen om zout voor de aarde en licht voor de wereld te zijn. En ja, hoe doe je dat? Hoe loods je de kerk van vandaag binnen in de wereld van morgen?
Iemand kwam met een prachtig beeld. Veehouders in Europa zijn gewend om hekken om hun kuddes te zetten. Er wordt een weide afgepaald en de schapen mogen niet buiten het hek, of niet over de sloot. Elke dag worden de hekken gecontroleerd. Zo is de kerk ook vaak geweest: heel erg bezig met de hekken, en zoveel mogelijk mensen moesten binnen gehouden worden. Alles wat erbuiten ligt, is verboden terrein.
In Australië is het land eindeloos wijd en de kuddes zijn groot. Vooral in droge streken waar het vee veel ruimte nodig heeft, is het onbegonnen werk om hekken te zetten en die te onderhouden. Daarom houden veehouders zich niet zozeer met de grenzen bezig, maar met het middelpunt. Ze brengen hun vee naar een bron en van daar mag het vrij uitlopen. De bron is zo belangrijk voor de dieren dat ze er altijd zullen terugkomen. De veehouder bepaalt zijn kudde bij de bron en vertrouwt erop dat dit genoeg is.
Dat beeld werd ons voor de kerk meegegeven: breng elkaar steeds weer bij de bron, zorg dat die zichtbaar is en niet dichtslibt. Concentreer je erop dat mensen daar heil ervaren, lafenis vinden. Dan houd je ook energie over om uit te gaan en anderen te vertellen dat die bron er is, en dat ze er welkom zijn. Die bron, Gods genade die ons in Jezus geopenbaard is, is niet het eigendom van de kerk, maar Gods geschenk aan de wereld.

Ds Piet van Veldhuizen

Meer column's:

Pinksteren...

Pasen...

Een gezegend nieuw jaar...

Scheppen is scheiden...

Psalm 131...

Een Paulusbekering...

Verstrooid worden...

“Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de Here” (Jesaja 1:18)...

Witwassen...

Elke dag heeft genoeg aan zijn egen kwaad (Mat 6:34)...

Roeping...

Lichtpunt in de nacht...

Oordeel...

Wordt hervormd!...

De Naam van God...