Kom zelf maar kijken

Hoe kreeg Jezus zijn eerste volgelingen? Van de vier evangelieboeken in de Bijbel vertellen er drie dat Jezus langs het meer van Galilea liep en tegen jongens uit vissersgezinnen zei: volg mij! Het verhaal vertelt dat ze op slag alles achterlieten en hem volgden. In de kerk zingen we daar mooie liederen over (‘Jezus die langs het water liep’), maar ik kan me voorstellen dat je als ouders niet blij bent als je tienerjongens op die manier bij een beweging terecht komen.

Het vierde evangelieboek, van Johannes, vertelt een heel ander verhaal. Johannes de Doper is met een groepje leerlingen ergens bij de Jordaan. Jezus komt voorbij, en Johannes zegt: ‘Kijk, het Lam van God’. Twee leerlingen van Johannes, blijkbaar geïntrigeerd, lopen achter Jezus aan. Die draait zich om en vraagt: wat zoeken jullie?

Ottavio Vannini (17e eeuw), Johannes de Doper wijst de heilige Andreas op Christus (Wikimedia Commons)

Ja, wat zeg je dan? Hun reactie is: Meester, waar verblijft u?

Ik kan me zoveel andere vragen voorstellen: Waar gaat u heen? Wat gaat u doen? Waarom wordt u Lam van God genoemd? Wat is uw beroep? Verdient dat goed? Van welke religieuze stroming bent u? Maar ze vragen: Waar verblijft u? Wat is de plek die je ‘thuis’ noemt? Waar ben je bij jezelf?

Nergens in de evangelieboeken wordt een ‘thuis’ van Jezus beschreven. Niemand weet of hij een woning had, een kamer huurde, een gezin onderhield. Als regelmatig huisbezoeker weet ik dat een huiskamer veel zegt over de bewoners: er hangt een sfeer, er is balans of onbalans, je voelt je er wel of niet op je gemak. Je kunt het vaak niet benoemen, maar de plek waar iemand thuis is, heeft iets van de ziel van die persoon. Het is elke ochtend het vertrekpunt, elke avond het rustpunt van iemands bestaan. Geen gekke vraag dus: waar verblijft u?

En Jezus antwoordt: Kom en zie. Dus: Kom zelf maar kijken. Voel maar, proef maar, trek je eigen conclusies. Het verhaal vertelt niet wat ze zagen en ook niet waar het was. Het zegt dat ze bleven, en dat ze vervolgens ook anderen vertelden wat ze hadden gevonden.

Waar woonde Jezus? Ik weet zeker dat de evangelist Johannes, die het verhaal vertelt, geen huisadres in gedachten had en ook niet het interieur van een huiskamer of woonkeuken. Johannes heeft een door en door spirituele visie op Jezus. Als je hém zou vragen waar Jezus thuis is, durf ik er veel om te verwedden dat hij zou antwoorden: in God. Niet tussen vier muren maar in het hart van de Eeuwige. God is niet zijn werk of zijn baan, maar zijn rust, zijn lust en zijn leven. Hij is in God en God is in hem.

Ik vind het heerlijk dat Jezus daar geen preek over houdt, maar gewoon zegt: Kom zelf maar kijken. Trek met me op en maak het mee. Wees bij me als ik niet aan het werk ben, ervaar dat ik thuis ben in God, dat ik woon in zijn goedheid.

In De Ark beleven we deze zondag de ‘wisseling van de wacht’ in de kerkenraad: een aantal ouderlingen, diakenen en kerkrentmeesters legt na jaren van vrijwillige arbeid het ambt neer, een aantal andere gemeenteleden pakt het op. Ik wens de vertrekkende mensen toe dat ze thuiskomen in vrede en goedheid, in God. Ik wens de aantredende mensen toe dat ze de ervaring van die twee leerlingen uit het boek van Johannes opdoen: dat ze in allerlei situaties en medemensen Christus zien langskomen en dat ze dan nieuwsgierig worden. Dat ze op huisbezoek gaan, niet als mensen die het weten maar om te ontdekken: oh, woont God híér!

21 januari 2022, Piet van Veldhuizen

Water en wijn

Water is waar je niet buiten kunt, wijn is wat er te vieren valt. Dus water is noodzaak, wijn is feest. Er is een verhaal over Jezus die water in wijn verandert: het water van de leefregels krijgt gloed, kleur en passie. Zou dat ook kunnen met het bittere water van de coronaregels?

Soms denk ik dat we in onze samenleving vooral goed zijn in het omgekeerde: wijn in water veranderen. Passie kan rekenen op een koele ontvangst. Als iemand een wonder heeft meegemaakt, vertelt de omgeving dat het ‘gewoon’ dit of dat was, niks bijzonders. Alsof je kostbare wijn uitschenkt voor de mensen om je heen, en ze spoelen het in één beweging door de gootsteen alsof het kraanwater was.

Op de derde zondag van januari gaat het in heel veel kerken wereldwijd over dat ene verhaal waarin Jezus water in wijn laat veranderen. Het leven van Jezus wordt binnen de Bijbel verteld door vier evangelisten, maar dit wijnwonder komt slechts bij één van hen voor: bij Johannes, in het tweede hoofdstuk, als allereerste wonderdaad van Jezus.

Voor Johannes gaat het niet om een chemisch wonder. Het belangrijkste is dat Jezus een feest dat dreigt dood te bloeden, nieuw leven inblaast. Hij doet dat zonder ophef: behalve het personeel en een paar volgelingen van Jezus hoeft niemand te weten hoe het is gegaan. Voor de lezer is van belang dat Jezus geen wijn uit het niets tovert: buiten staan watervaten voor de rituele reiniging als je binnenkomt, een bruiloft is tenslotte een familiefeest met religieuze lading. Dat reinigingswater (het water van de leefregels) wordt door Jezus’ toedoen tot wijn die de harten warm maakt en het feest laat bruisen.

Dus van iets wat nu eenmaal moet, wordt een feestje gemaakt. Soms zie je dat ook lukken in het kader van de coronaregels. Ik denk aan de wereldwijde uitvoering van het nummer Fix You (van Coldplay) via Zoom door Koolulam, alweer bijna twee jaar geleden. Of aan de energie waarmee we rond onze eigen Ark in de afgelopen decembermaand aan de slag waren om er binnen de beperkingen het allerbeste van te maken, met kaarten, kerstboomhangers, amaryllisbollen, rondbrengacties en al die kleine wondertjes van digitale techniek. We hadden ook kunnen klagen en handenwringen en zuchten dat het allemaal zo tegenvalt. Koud hè, dat water, vind je ook niet?

In plaats daarvan hebben we er wijn van gemaakt die op allerlei plekken toch een beetje troost en warmte bracht, en een twinkeling in de ogen. Ik hoop dat we daartoe ook in het nieuwe jaar steeds weer bereid en in staat zullen zijn. Met aandacht, liefde en fantasie, in het voetspoor van Jezus.

12 januari 2022, Piet van Veldhuizen

In plaats van een column: de coronaregels in De Ark

In verband met de lockdown laten we in de kerkdiensten op dit moment geen kerkgangers toe. De diensten tot en met 9 januari 2022 worden met een minimum aan mensen gerealiseerd en kunnen alleen via internet (kerkTV, kerkdienstgemist.nl) worden gevolgd.

Om toch een zekere mate aan betrokkenheid te bieden, heeft de eigen predikant (ds. Piet van Veldhuizen) tijdens de dienst zijn mobiele telefoon bij zich, en iedereen is uitgenodigd om via WhatsApp of per sms voorbeden in te dienen of te reageren op wat er in de dienst gebeurt. Tijdens de muziek of als er videoclips vertoond worden, zal hij de berichten checken en de inhoud meenemen in het vervolg van de dienst.

Zodra we weer echt naar de kerk kunnen, gelden de volgende regels:

We dragen in De Ark mondkapjes zolang we niet op onze plekken zitten, en we houden in de diensten telkens twee stoelen vrij tussen mensen die geen deel uitmaken van dezelfde bubbel. We zingen ingetogen, met niet méér adem dan wanneer we spreken of gewoon ademhalen. Bij het uitgaan van de kerk volgen we de aanwijzingen van degenen die zorgen dat we zonder opstoppingen, rij voor rij het pand verlaten.

Door de week is De Ark open van dinsdag t/m donderdag ’s morgens van 9:00 tot 11:00 uur. Je kunt dan terecht voor koffie/thee, een praatje, je kunt een kaarsje aansteken of zomaar even in de kerkzaal zitten, en als je wilt is ook een gesprek met de predikant onder vier ogen mogelijk. Ook hier geldt: als je loopt, draag je een mondkapje, en we houden afstand. In de koffiezaal staan zeven tafels op onderlinge afstand: als achter elke tafel iemand zit, kan er niemand meer bij. Maar omdat niemand de hele ochtend blijft zitten, hoeven we praktisch nooit iemand de toegang te weigeren.

Er is een extra openstelling op vrijdag 24 december: dan is er inloop van 9:00 tot 17:00 uur.

Liefde, het nu, de neus en de eeuwigheid

Het Hooglied, de bundel liefdesgedichten in de Bijbel, spreekt voortdurend de zintuigen aan. Het is vol landschap en natuur, bloesem en vruchten. Het doet telkens ook een beroep op de tastzin: hoe iets voelt, bijvoorbeeld als je met je hand door een berg graankorrels gaat (‘je buik is als een hoopje graan’). En je vindt er dichtregels vol geuren: nardus en saffraan, kalmoes en kaneel, wierook en balsemhars. Het zijn beelden van verrukking in de liefde tussen twee minnaars, maar de opsomming is ook vol liefde voor alles wat weldadig is. Want liefde, als ze er eenmaal is, loopt over in alle dingen. Wie vol liefde voor een ander is, gaat ook houden van duizend kleine dingen.

Bijzondere geuren zetten de tijd stil. Dat is één van de manieren waarop ze rustgevend kunnen zijn. Als je een lekkere geur laat binnenkomen, word je uit de vaart van je eigen handelen gehaald en uit de route van je eigen gedachten. Een geur kan je zómaar terugbrengen naar een plek, een herinnering, een gevoel. In het voorzichtig binnenhalen van een luchtje (niet snuiven maar heel licht door je neus inademen) kun je helemaal opgaan. Zo helpt geur je om in het nu te zijn. Niet voor niets worden bij meditatie en bij tempelceremonies (ook in de Bijbel) welriekende geuren gebruikt.

In een van zijn brieven in het Nieuwe Testament zegt Paulus dat de volgelingen van Jezus wierook zijn die de levenwekkende geur van Christus verspreidt: geen drukte en gedoe, maar een weldadige aanwezigheid in het hier en nu. Dat het gewoon goed is zo. Dat zouden we ons als christelijke gemeenschap weer eens te binnen moeten brengen: niet met ijver en overtuigingen zegenen we de wereld, maar met de ervaring dat je er gewoon bent, dat je er mag zijn. De 5e-eeuwse theoloog Augustinus citeert die woorden uit de Bijbel in de slotregels van zijn kloosterreglement. Niet dat we van alles willen en vinden, maar dat we elkaar helpen om op een weldadige en liefdevolle manier in het nu te zijn, dát is de zin van een geloofsgemeenschap.

‘In het nu zijn’, dat staat tegenover gejaagdheid, stress, geleefd worden door je agenda of je deadlines, zorgen over morgen of wrok over gisteren. De liefde (de grote liefde of gewoon een lekker luchtje) haalt je binnen in het nu, weg uit het jagen van de tijd. Je zou het nu kunnen zien als de enige manier waarop de eeuwigheid zich manifesteert in de tijd. Het beroemde lied over de liefde van Paulus (1 Korintiërs 13) zegt dat uiteindelijk alleen geloof, hoop en liefde ertoe doen, ‘en de grootste van deze drie is de liefde’ – want liefde verbindt ons met de eeuwigheid.

Op zoek naar kalmoes in de Krimpenerwaard

Tussen het schrijven van deze woorden door zit ik te snuffelen aan een stengel kalmoes, één van de ingrediënten van Hooglied 4 vers 14 (en ook één van de ingrediënten van Beerenburg). Daarvoor ben ik naar de Krimpenerwaard gereden, omdat ik daar plekken wist waar het groeit in de slootkant. Veertig jaar geleden vond ik het daar ook, als tiener die meedeed aan planten-inventarisaties. Het heeft een geur die ik niet kan beschrijven maar die op de een of andere manier niet vol is – ik neem telkens een volgend snufje omdat het ruikt alsof het nét niet af is. Maar wel tijdloos. De ik van destijds en de ik van nu vallen even helemaal samen, ook al zijn alle cellen van mijn lijf in de tussentijd al meerdere keren vervangen. Wat gebleven is, is dat luchtje. En de liefde waarmee ik het begroet.

1 augustus 2020, Piet van Veldhuizen

Kalmoes

Liefde, o help!

In De Ark gaan we in vier zondagen het boekje Hooglied doornemen. Dat is een bundel liefdespoëzie die deel uitmaakt van de Bijbel en die ongeveer vijfentwintighonderd jaar oud is. Het is prachtige sensuele taal waarin bezongen wordt hoe een hij en een zij zich over elkaar verheugen en naar elkaar verlangen. In mijn bijbeluitgave zijn het twaalf bladzijden tekst. Daarvan gaan we er op elk van deze vier zondagen drie lezen.

Bijna tweeduizend jaar geleden hebben joodse religieuze leiders er stevig over gedebatteerd of dit kleine geschrift wel deel moest gaan uitmaken van het heilige boek. De manier waarop de lichamelijkheid er bezongen wordt,  is nergens vulgair maar wel heel suggestief, en daarbij bevat het Hooglied geen enkele expliciet religieuze uitspraak. Maar een gezaghebbend geleerde, rabbi Akiva, noemde het Hooglied het allerheiligste van de heilige teksten. De lichamelijke liefde is immers een weerspiegeling van de intieme relatie tussen God en de mensen.

Mijn vader las in mijn kindertijd steevast na de avondmaaltijd een gedeelte uit de bijbel voor. Elke dag ging het verder waar de boekenlegger lag, van begin tot eind en dan weer van voor af aan. Maar het Hooglied sloeg hij over. Dat zou hij niet zonder blozen hebben kunnen voorlezen, denk ik, met al die liefkozingen en die wonderlijke beschrijvingen van geliefde lichamen.

Maar als het waar is dat God liefde is en/of dat alles liefde is, moet het erg de moeite waard zijn om de inhoud van dit stuk van de bijbel tot ons te laten doordringen. Als niets in onze werkelijkheid zonder God is, hoeven we de aardse liefde en de hemelse liefde niet als twee aparte werelden te zien.

Graag wil ik in deze vier kerkdiensten vier invalshoeken proberen, en die naast de teksten van het Hooglied houden om te kijken of het werkt:

1. Liefde en de natuur – want het valt me op dat er zoveel landschap en zoveel flora en fauna in het Hooglied voorkomt, en dat de liefdesontmoeting vooral buiten plaatsvindt: buiten de stadsmuren, buiten de sociale kaders. Wat zegt dat over liefde (en over geloof en hoop)?

2. Liefde en het nu – want de verrukking is in het Hooglied vol kleur en geur, de tijd valt weg, en daarbij wil ik graag iets zeggen over liefde (en geloof en hoop) als mindfulness.

3. Liefde en het gemis – dat past goed bij de hoofdstukken 5 en 6 van het boekje, maar ook bij het feit dat de intense liefde zoals ze hier wordt beschreven, in ons leven vaker afwezig is dan aanwezig: je hebt het ooit gekend maar het is voorbij, of je hebt er altijd naar verlangd en het is nooit gekomen. Hoe gaan we daarmee om? Hoe kan liefde (en geloof en hoop) ons bezielen middenin het gemis?

4. Liefde en de hemel – want, ten slotte, God komt in het Hooglied niet voor maar God zingt en zindert in alles waarover dit boekje gaat. Als alle waan van de dag voorbij is, zegt een andere bijbelse tekst, blijven alleen geloof, hoop en liefde – en de grootste van die drie is de liefde (1 Korintiërs 13). Alleen liefde verbindt ons duurzaam met de hemel, met de eeuwigheid of hoe je het ook noemt.

Dat is het programma voor de zondagen 26 juli en 2, 9 en 16 augustus. Of het lukt om het zo te realiseren, moet nog blijken. Je kunt via kerkdienstgemist.nl meekijken of luisteren.

24 juli 2020, Piet van Veldhuizen


De afbeelding toont een van de vijf doeken van Marc Chagall over het Hooglied (nr 2, 1957), te zien in het Musée National Message Biblique Marc Chagall in Nice.

Pay it forward

Ons woord ‘talent’ is op een rare manier in de wereld gekomen. In de oudheid was het een gewichtsmaat, vergelijkbaar met ongeveer 30 kilo – dat varieerde per land en in de loop van de eeuwen. Voor het afwegen van goud en zilver was het de hoogste standaardmaat: een talent zilver stond gelijk aan vele jaarlonen voor een arbeider. Als in een oude tekst gezegd wordt dat iemand je een talent gaf, klinkt dat ongeveer als ‘een ton’. Heel veel geld.

In de Bijbel vertelt Jezus een parabel (een verhaal met een moraal) over een landheer die op reis gaat en zijn bezit toevertrouwt aan drie dienaren. Ze krijgen respectievelijk vijf talenten, twee talenten en één talent – dus zeg maar een half miljoen, twee ton, en ‘maar’ een ton. De bedoeling is dat ze daarmee aan de slag gaan, zodat het bezit van de landheer niet stilligt zolang hij weg is. Als hij terugkomt, wil hij weten wat het heeft opgeleverd.

Eerlijk gezegd heb ik altijd moeite gehad met de afloop van dat verhaal zoals Jezus het vertelde. Toen de landheer thuiskwam, rapporteerden de dienaren over de gedane zaken. Die met vijf ton en twee ton hadden hun bedragen verdubbeld en werden daarvoor royaal beloond. Degene met één ton had het geld veilig opgeborgen en gaf het onaangeroerd terug. Hij zei erbij dat hij het vanwege de hardheid van zijn meester veiliger had gevonden om er niets mee te doen. Want als hij erop zou verliezen, zou hij daar alleen maar gedonder mee krijgen. Zijn beeld van de meester wordt onmiddellijk bevestigd: hij wordt eruit gegooid en zijn krediet wordt verdeeld over de andere twee.

Mijn bezwaar was altijd, dat christenen sindsdien vinden dat je moet woekeren met je talenten ‘want anders zwaait er wat’. Dus dat je op deze manier angst-gedreven geloof krijgt, precies het soort geloof waarmee ik ook ben grootgebracht. Hou van God en doe je best, want anders zul je ooit gestraft worden. Ik heb me als kind en jongvolwassene bij het idee dat ‘de Heer komt’ nooit veilig gevoeld, want dan komt de afrekening, en heb ik dan wel genoeg gedaan met mijn talenten?

Maar volgens mij wordt deze parabel al eeuwenlang verkeerd begrepen – ik besef dat het nogal aanmatigend is om dat te zeggen, maar ik zeg het toch. Want de ‘talenten’ die de dienaren krijgen, verwijzen helemaal niet naar ‘dat wat je kunt’, naar je gaven of je goede eigenschappen. De dienaren krijgen iets wat ze van zichzelf niet hebben: krediet om iets moois mee te doen. En wat voor krediet geeft God aan mensen volgens Jezus? Vergeving, liefde en vertrouwen, oftewel: de ruimte om er helemaal te mogen zijn. Met de bedoeling dat we dat krediet in de omloop brengen, door ook elkaar met vergeving, liefde en vertrouwen te omgeven. Pay it forward – dát is ‘woekeren met wat God je geeft’.

De Pay-it-forward-filosofie van Catherine Ryan Hyde zegt: als je iets goeds ontvangt, geef je dankbaarheid dan niet terug aan de goede gever, maar geef het vérder aan anderen, want dan verandert het de wereld.

Degene die het bedrag van zijn landheer veilig opbergt, staat dus voor iemand die weigert om uit vergeving, vertrouwen en liefde te leven. Die leeft met argwaan en met zijn eigen negatieve mens- en godsbeeld. Het wrange is dat zure mensen vaak ook gelijk krijgen, want ze creëren een wantrouwige wereld om zich heen waarin negatieve oordelen gedijen.

We vieren in De Ark op deze zondag de liefdemaaltijd van Jezus, symbolisch en een beetje onbeholpen in coronatijd – maar dat is de viering van dat krediet uit de hemel: liefde, vertrouwen, vergeving, ademruimte. Je mag er zijn, ook met je gebreken en al wat er mis ging, er wordt je niets nagedragen, je leven wordt je van harte gegund. Als we dat vervolgens uitleven en uitdelen, reken maar dat het zich dan vermenigvuldigt!

28 juni 2020, Piet van Veldhuizen

Het Bijbelverhaal kun je vinden in Matteüs 25, 14-30

Mozes in quarantaine

Veertigdagentijd, zo noemen we de periode op weg naar Pasen. Dit is de derde zondag in de veertigdagentijd. Jezus was veertig dagen in de woestijn om te vasten en op de proef gesteld te worden (dat lazen we twee weken geleden). Mozes was veertig dagen op de berg, in de aanwezigheid van God, om de leefregels voor zijn volk te ontvangen. Veertig dagen – in het Frans kun je dan zeggen: une quarantaine de jours.

Het is een grappig toeval dat ons woord quarantaine die letterlijke betekenis heeft: veertigtal. Dat komt doordat ooit, toen de pest door Europa waarde, een veertigdaagse afzondering nodig was om zeker te weten dat een schip de pest niet had meegebracht. Quarantaine, veertigdagentijd. Bijzonder hoe die twee begrippen elkaar nu weer ontmoeten.



We lezen vandaag over Mozes op de berg en over Jezus op de berg. Allebei zijn ze weggeklommen van het rumoer, weg uit de menigte. Ik stel me voor hoe het gekakel en geschreeuw steeds zachter klinkt naarmate ze hoger komen. Ik voel bijna hoe de druk van hen afvalt, hoe ze vrij worden van alles wat daar beneden voortdurend aan ze trekt. Al die verwachtingen van mensen, al die eisen, die klachten. Iedereen wil van alles, iedereen is ongeduldig. Bij Mozes willen ze eten en drinken en comfort en een goed plan, ze willen gelijk krijgen in hun ruzie met de buren, ze willen weten hoe het morgen verder gaat. Bij Jezus willen ze aangeraakt worden, genezing en troost krijgen, of ze willen wonderen zien, ze willen een leider die hun dromen vervult, ze willen dat hij zich bewijst als de messias, de gezondene van God.

Dus de berg op, de eenzaamheid in, dat is in de eerste plaats: boven al dat gedoe uitgetild worden. Even weg uit de druk en de stress en het gezanik aan je hoofd. Even alleen zijn met jezelf en met God. Even opengaan zonder dat ernaar gegraaid wordt. Jezus gaat stralen, het licht van God stroomt even vrijuit, hij kan zijn wie hij is: kind van God, licht van de Eeuwige. Over Mozes wordt later verteld dat hij straalt als hij terugkomt uit zijn quarantaine op de berg – hij moet zijn gelaat bedekken omdat hij de mensen anders verblindt.

Quarantaine – wat een kans! Om jezelf terug te vinden, om God te vinden. Stil en leeg worden en ervaren dat je gedragen wordt. Niet afleiding zoeken en doorconsumeren, niet je suf googelen naar het laatste nieuws en de supermarkten afschuimen voor de laatste rollen wcpapier. Maar eindelijk eens op een rijtje zien te krijgen waar je in de diepte van je ziel naar verlangt, en waar je bang voor bent, wat je écht graag wilt en wat je écht niet wilt, wat je draagt en wat je drijft en wat je tegenhoudt. Schrijf het op of spreek het in, schilder het of kneed het in klei, zing het, speel het.

En pas op, vóór je het weet is het weer voorbij. Jezus moest weer afdalen en onmiddellijk sloeg alle gedoe en rumoer weer toe. Mozes kwam terug en het was een heksenketel. Ik hoor ze allebei denken: was ik maar boven gebleven – maar dat kan niet, je hebt iets te doen in de wereld. Dus zolang de quarantaine duurt of de lock-down of wat dan ook: zie het als een kans. Ik wens iedereen een gezegende veertigdagentijd.

15 maart 2020, Piet van Veldhuizen

Heilig vuur, veilig vuur

Daar bestaan nog geen rookmelders voor: het heilig vuur van gelovigen of van godsdienstige bewegingen waarvan soms de wereld in brand staat. Het heilig vuur van religieuze of niet-religieuze gelijkhebbers, van politieke populisten, van haatzaaiers en angstzaaiers. Of van mensen die andere mensen als het grote gevaar zien. Heilig vuur, als het in mensen brandt, is vaak geen veilig vuur.

Vandaag lezen we in De Ark over Mozes die in de woestijn een doornstruik ziet branden. Het is een heel bekend verhaal: vanuit het vuur in die struik spreekt de Eeuwige tot hem. Mozes ontvangt daar de opdracht om zijn volk uit de Egyptische slavernij te bevrijden – dat is het begin van het joodse Paasverhaal.

Het verhaal vertelt dat Mozes de brandende struik van dichterbij gaat bekijken omdat hij ziet dat het vuur de struik niet verteert. Vuur dat blijft branden in een droge doornstruik, vuur dat de struik heel laat, dat is wonderlijk. Dat een struik vlam vat, dat kan gebeuren, maar dan is het gewoonlijk woesj, in één keer weg. Doornstruiken deugen niet voor een vuurtje, of hooguit als aanmaakhout. Maar hier houdt het vuur de struik heel, en de struik verdraagt het vuur.

Dat is een prachtig beeld, vind ik, van het veilige vuur van God – het vuur van geloof, hoop en liefde. Het brandt in je maar het maakt je niet kapot en richt ook om je heen geen ravage aan. Het is vuur dat zijn drager respecteert, het is energie die haar gastheer (m/v) niet opvreet. Als gelovigen doen we er goed aan, individueel en als gemeenschap, om geregeld te checken of het nog veilig vuur is dat ons drijft.

Trouwens, in de Bijbel is een doornstruik het beeld voor een mens met wie niets te beginnen is, een waardeloos of onbetrouwbaar iemand. De rechtvaardige is een ceder, een palm of een eik, fier en solide, of een wingerd die met zijn wijn het hart van de mensen vrolijk maakt. Een doornstruik (vroeger zeiden we ‘braambos’ en dat betekende ‘bremstruik’) levert niets op – niet eens een goed vuur. Waarom verschijn God dan niet aan Mozes in een brandende cederboom? Waarom een doornstruik? Is het om te zeggen dat het veilige vuur van geloof, hoop en liefde niet alleen in de allerbeste mensen, maar werkelijk in ieder mens kan branden?

Volgens de traditie heeft Mozes veertig jaar lang de schapen van zijn schoonvader gehoed als hij bij de brandende struik komt. Veertig jaar met zijn ziel onder de arm. Want hij was weggelopen uit Egypte, bij zijn onderdrukte volk vandaan. Hij had zijn volksgenoten niet kunnen helpen: één slavendrijver had hij in woede doodgeslagen – over heilig vuur gesproken – en toen was hij gevlucht. Had hij zichzelf nu, veertig jaar later, een label moeten toekennen op de schaal van ceder tot doornstruik, dan had hij zichzelf een doornstruik genoemd. Dat denk ik, ook als ik zie hoe hij reageert op zijn roeping om de bevrijder te zijn. Hij vindt zichzelf ten enenmale ongeschikt.

Maar het vuur van de Eeuwige blijkt ook in een doornstruik te kunnen branden. Je hoeft niet te weten of je een doornstruik of een cederboom bent – je bent hoe dan ook geschikt als drager van het vuur van goddelijke liefde. Als het eenmaal in Mozes ontstoken is, wordt hij niet alleen de bevrijder van zijn volk, maar komt hij ook bekend te staan als de zachtmoedigste van alle mensen. Dat is wat veilig vuur met je kan doen.

1 maart 2020, Piet van Veldhuizen

Het verhaal over Mozes en de doornstruik staat in Exodus 3.

Voor de doornstruik in bijbelse beeldspraak zie Rechters 9,14-15; 2 Koningen 14,9; Micha 7,4.

Over Mozes als de zachtmoedigste van alle mensen: Numeri 12,3.

De afbeelding vond ik op de website van een Nieuw-Zeelandse collega, Sylvia Purdie, bij een indrukwekkende overdenking over Exodus 3 waarin recente ervaring met natuurbranden is verwerkt. Ik kon daar geen bronvermelding vinden.

Toch nog onverwachts is van ons heengegaan

Dit is de laatste zondag voordat de nieuwe liturgische jaarcyclus weer begint: volgende week is het advent. Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar gedenken we in De Ark de gestorven gemeenteleden van de afgelopen twaalf maanden. Hun namen worden genoemd, voor elk van hen wordt een kaars aangestoken. Plus een kaars voor alle andere gestorvenen aan wie op dat moment door de kerkgangers gedacht wordt.

Iemand is weggevallen en jij moet verder. Daarover staat een prachtig verhaal in de Bijbel, maar het wordt zelden gelezen als een verhaal over verlies en verdergaan. Het gaat over een leerling die zijn meester verliest. De leerling is Elisa (dat is in de Bijbel een mannennaam), de meester is Elia. Hij is de belangrijkste profeet van zijn tijd. Zeg maar: de belangrijkste tegendraadse opiniemaker in het land, de man die volk en vorst bij de les houdt met kritisch commentaar. Hij moest er vaak voor onderduiken of rennen voor zijn leven, maar hij had ook een groot gezag.

Elia weet dat zijn einde nadert. Hij begint aan een voetreis, vanuit het door Israël bevolkte bergland ten Noorden van Jeruzalem, steeds lager, naar de grens van het bewoonde land – symbolisch trekt hij zich zo uit het leven terug. Hij zegt tegen zijn leerling: blijf jij maar hier, ik moet nu gaan. Hij zoekt de stilte om er tussenuit te gaan. Maar Elisa laat dat natuurlijk niet gebeuren. Zoals wij waken bij een stervende, zo laat Elisa zijn meester niet alleen op de laatste reis.

Er zijn telkens ook omstanders: mensen die weten dat dit Elia’s laatste tocht is en die Elisa daarop aanspreken. “Ik weet het ook wel, zwijg!” – bijt Elisa hen telkens toe. Ze bedoelen het vast goed, maar hun meeleven hindert hem. Wat weten ze ervan? Wat dit voor hem betekent, daarvan hebben ze geen idee..

Ze komen aan de landsgrens, of bij de levensgrens: de Jordaan, de doodsrivier. Elia laat de wateren uiteenwijken en loopt naar de overkant, de woestijn in. Elisa loopt mee. Door trouw te zijn aan degene die vertrekt, komt hij ook zelf in een soort tussenwereld terecht, wég uit het gewone leven. “Wat zou je nog van me willen?”, vraagt Elia hem. Zijn antwoord, letterlijk: “Twee beetjes van jouw geest!” – iets waarmee hij verder kan. De geest van de meester en liefst niet te weinig.

Al pratend lopen ze verder, bij het dagelijkse leven vandaan. En dan gebeurt wat je in zoveel rouwadvertenties leest: “Toch nog onverwachts is van ons heengegaan..” – plotseling worden ze gescheiden, een vuurwagen met vuurpaarden neemt Elia mee omhoog, en weg is hij. Daar is het lied Swing low, sweet chariot op gemaakt, maar voor Elisa is het niet zo sweet. Zo was je nog samen, zo ben je alleen. Van die rauwe ervaring kunnen veel mensen meepraten, denk ik.

Van Elia is niets meer te bekennen, behalve zijn jas die is achtergebleven. Dat is waar Elisa mee verder moet – hij moet het stokje overnemen. Hij is geen volgeling of leerling meer. Hij raapt de jas op. Nu staat hijzelf vooraan.

Alleen – daarvoor moet hij terug, het leven in. De mensen staan hem daarginds al op te wachten, ze zullen hem met open armen ontvangen. Maar er stroomt een rivier tussen waar zij zijn en waar hij is. Alsof hij van het leven is afgesneden doordat hij zo ver is meegegaan met degene die vertrokken is. Ook dat zullen heel veel mensen herkennen..

Hemelvaart van Elia. Gravure van Johannes Wierix, naar Maerten de Vos, 1582 – 1583, uit de collectie van het Rijksmuseum.

Nu moet je even een badjas pakken en daarmee nadoen wat het verhaal over Elisa vertelt: hij geeft met de jas van Elia een klap op de rivier en hij schreeuwt het uit. Zo’n klap met een slappe jas kun je alleen geven met je hele lijf: zwiep naar achteren, zwiep naar voren, páts – en de schreeuw klinkt als een vloek van wanhoop: “Waar is dan die Gód van Elia, ja díe!” Alle woede, angst en verdriet ballen zich samen in die kreet en die klap. De wateren wijken, Elisa kan terug het leven in. Het ging, maar het ging niet vanzelf, zouden wij dan zeggen.

Al die omstanders met hun hartelijke belangstelling – o wat zijn ze behulpzaam: ze bieden aan om te gaan zoeken, of er niet tóch iets van Elia terug te vinden zal zijn. Elisa bezweert ze dat het geen zin heeft, maar ze willen zo graag, dus toe dan maar. Dat is blijkbaar hoe de mensen die er niet bij waren, het gemis moeten verwerken: zoekend en zwetend. Na drie dagen komen ze terug, nu weten ze zeker dat Elia wég is. Het verhaal eindigt droog met de woorden van Elisa: “Ik zei het toch?”

Dit verhaal is ongeveer vijfentwintighonderd jaar geleden genoteerd. Maar soms is het verbijsterend dichtbij. Het zegt iets over de eenzaamheid van wie met een stervende is meegegaan tot de grens. Het zegt mij ook dat zulke eenzaamheid de eenzaamheid van de voorsprong is – je bent ergens al geweest waar zoveel anderen nog niet bij kunnen. Je bent niet alleen achterblijver, je bent ook voorloper.

24 november 2019, Piet van Veldhuizen

Het verhaal staat in 2 Koningen 2, 1-18

Op mijn website staat een artikel dat ik ruim twintig jaar geleden over dit verhaal schreef.

Alles wat schuurt

Het leven is prachtig, maar o, wat komt er ook een hoop gedoe bij kijken. De zogenaamd zorgeloze kindertijd is óók een tijd van huizenhoge onzekerheden, van misverstand en teleurstelling. En wijs en volwassen worden is prachtig, maar hoeveel gênante situaties en desillusies liggen er op de route naar een begin van wijsheid.

Dat bedacht ik terwijl ik het boek van de Ierse verhalenverteller en theoloog Pádraig Ó Tuama vertaalde. Hij schrijft met warmte en humor, met hoop en geloof, maar het gaat telkens weer over kwetsbare mensen (hijzelf voorop) die zich soms zó kunnen bezeren aan het gebrek aan ruimhartigheid in hun omgeving. Vandaar de titel: Verhalen van liefde en alles wat schuurt. Bijbelverhalen over menselijke ontmoetingen blijken daar, als Ó Tuama ze leest, ook steeds over te gaan.

Pádraig Ó Tuama

De schrijver brengt consequent zichzelf in het spel, en hij heeft stof genoeg: ontluikende homoseksualiteit in een behoudend katholiek milieu, pogingen tot vredeswerk in een verscheurd Belfast, vastlopen in je geloof maar niet kunnen leven zonder de o zo religieuze verhalen van Tolkien. Hunkeren naar begrip en tegen muren van fundamentalisme aan lopen. Maar hij beschrijft het allemaal met een glimlach en vaak met milde zelfspot. Hij is erdoorheen gekomen en heeft telkens óók liefde gevonden, bij zoveel mensen en toch ook weer bij God.

Als vertaler heb ik me vaak een voyeur gevoeld. Je komt zo dicht op iemands huid, en Ó Tuama laat zich diep in de ziel kijken. Halverwege het werk ben ik met hem gaan mailen, soms om een vertaalkwestie aan hem voor te leggen, maar toch ook vanuit de behoefte om niet de koude waarnemer van zijn bekentenissen te blijven. Ik voelde dat ik, om zijn teksten aan het Nederlandse taalgebied te mogen prijsgeven, zijn openhartigheid moest beantwoorden met ruimhartige oprechtheid van mijn kant. Dat is tenslotte waar zijn boek toe uitnodigt.

Zijn mails waren steeds heel kort maar ook heel persoonlijk en direct, en ik denk dat de vertaling er beter van is geworden. De standaard voettekst van zijn mails is een citaat uit een brief van Jane Austen: ‘Je verdient een langere brief dan deze, maar het is mijn droevige lot dat ik mensen zelden de behandeling geef die ze verdienen.’

Ja, citaten: Pádraig Ó Tuama pleit voor genereuze diefstal van goede teksten, want goede teksten verdienen het om hergebruikt te worden. Bijbelschrijvers stelen onbekommerd van elkaar, de hele geschiedenis van de literatuur is een doorgeefbeweging van tekstflarden en goede ideeën. In zijn boek kom je veel boeiende teksten tegen van dichters die ik zonder dit vertaalwerk vast nooit zou hebben leren kennen. Ik vind het aardig dat Ó Tuama dan geen precieze voetnoot plaatst, maar achter in het boek globale bronvermeldingen voor elke auteur geeft. Wil je precies het plekje vinden, dan zul je moeten zoeken. Als vertaler heb ik dat geweten, maar ook gewaardeerd.

Verhalen van liefde en alles wat schuurt: dat is een zin uit een van de eigen gedichten van Ó Tuama, want na elk van de tien hoofdstukken volgt een gedicht waarin de stof poëtisch naklinkt. Het is een treffende opsomming van het geleefde leven: liefde en alles wat schuurt. Zolang het én-én is, teken ik ervoor.

6 november 2019, Piet van Veldhuizen

Deze column is eerder gepubliceerd op de website van uitgeverij Skandalon, waar mijn vertaling van het besproken boek is gepubliceerd.

Pádraig Ó Tuama komt op dinsdag 12 november naar De Ark om te vertellen en gedichten voor te lezen – en natuurlijk ook om zijn boek te promoten.

Meer tussen hemel en aarde (55) – Leven met God is een rommelig bestaan

Met rechtlijnigheid kom je niet ver in een labyrint. Wil je daar het middelpunt bereiken, of de weg naar buiten vinden, dan zul je bochten en omwegen moeten maken. In het leven is het net zo – daarvan is het labyrint dan ook een klassiek symbool.

Op de vloer van De Ark ligt vandaag een replica van het labyrint dat al sinds de 13e eeuw in het middenschip van de kathedraal van Chartres ligt. Het is geen doolhof, je kunt er niet in verdwalen: er is maar één lijn van buiten naar binnen. Maar als je die éne lijn geduldig langsloopt, kom je in alle hoeken van het labyrint. Als je in het midden aankomt, ben je overal geweest. Zoals ook het leven zelf je doorgaans alle hoeken van de kamer laat zien.

Voor gelovigen is dat een belangrijke waarheid. Want in het geloof willen we nogal eens de kortste weg nemen: zó is het, dáár moet het heen, en al het andere valt af en is verkeerd. Dat is de valkuil van het fundamentalisme. Godsdienstige bewegingen kunnen daar liefdeloos en meedogenloos van worden. Mensen worden er rigide van: ze hebben alles helder en zó is het. Maar dat kan alleen opgaan zolang je anderen niet echt aankijkt. Want recht doen aan de ander betekent bijna altijd een omweg op je eigen route. Je heldere beeld van hoe het zit en hoe het moet: het is niet vol te houden als je met liefde in het leven wilt staan. Ja, liefde gooit altijd roet in het eten.

We lezen vandaag over David die moet vluchten voor koning Saul. David is al door een profeet aangewezen als troonopvolger, en hij is nog populair ook (want hij is mooi en moedig) – maar Saul klampt zich vast aan zijn koningschap, hij wil David uit de weg ruimen. Intussen zijn hun levenswegen met elkaar verstrengeld geraakt: Sauls zoon Jonathan is Davids boezemvriend, Sauls dochter Michal is zijn vrouw geworden. En telkens als koning Saul in een depressieve dip raakt, speelt David rustgevende muziek voor hem. Soms moet hij al spelend wegduiken voor de speer van de koning die zijn bloed wel kan drinken. Hoe ingewikkeld kan het worden?

Het komt zover dat David moet onderduiken. Zijn vrouw (dus Sauls dochter) helpt hem om te ontsnappen door een huisgod, een afgodsbeeld dus, in zijn bed te leggen. Door te zeggen dat David ziek is, geeft ze hem een mooie voorsprong. Maar wacht even, wat deed dat afgodsbeeld in Davids huis? Mag dat wel, kan dat wel? Met rechtlijnigheid kom je er niet uit. Je kunt ook zeggen: fijn dat Davids vrouw op dat idee kwam!

Als David rechtlijnig was geweest, had hij gezegd: ik ben al aangewezen als de nieuwe koning, Saul heeft afgedaan. Hij had diverse keren de gelegenheid om Saul te doden. Maar uit respect en zorgzaamheid doet hij dat niet – dat is waarom David in de oude teksten ‘een man naar Gods hart’ wordt genoemd. Leven met God is een rommelig bestaan, omdat de liefde rechtlijnige oplossingen onmogelijk maakt. In zo’n bestaan kan zelfs een afgod nog van pas komen.

Als twintig mensen tegelijk het vloerlabyrint van Chartres lopen (of het labyrint in De Ark vandaag) dan ziet dat er op ooghoogte uit als een wirwar, iedereen loopt door elkaar, het gaat alle kanten op. Maar van bovenaf, vanuit de hemel gezien, volgt iedereen een helder spoor. Dat rommelige bestaan is vanuit de hemel zo helder als wat. De orde die je van hieruit niet ziet, is er wel degelijk.

Ik verlang vaak naar orde, maar dan moet ik denken aan de voorzitter van het Britse Lagerhuis, Mr. Speaker John Bercow, te midden van heel die chaos die het Britse parlement in onze ogen is: Order, order! Laat het vooral een verlangen blijven. Met rechtlijnigheid kom je in het levenslabyrint nooit bij de kern, en kom je er ook nooit uit.

22 september 2019, Piet van Veldhuizen

Het labyrint in De Ark is eigendom van Hans de Wit, die er als jongerenwerker workshops mee geeft in het kader van zijn firma Mozaihk

Het verhaal over Davids vlucht staat in 1 Samuel 19.

Meer tussen hemel en aarde (54) – Strijdbaar zonder harnas

We lezen vandaag (15-09-2019) in de kerk het verhaal over David en Goliat – of althans een paar stukken eruit. Want het is een groot en complex verhaal, ijselijk en prachtig tegelijk. We lezen het bij de doop van drie kleine kinderen, dus ik pak er maar twee momenten uit. Moment één: de Filistijnse reus Goliat, gepantserd en bewapend, daagt de volksgenoten van David tot een duel uit. Veertig dagen lang vernedert hij het Israëlitische leger met verbaal geweld. Hij staat symbool voor het kwaad, hij kijkt met verachting naar alles wat zwakker en kwetsbaarder is dan hijzelf, en niemand durft het tegen hem op te nemen. Moment twee: de kleine herdersjongen David legt zijn harnas, zijn helm en zijn zwaard af voordat hij Goliat tegemoet treedt. Strijdbaar maar zonder harnas.

David is geen softie. Hij beschrijft zichzelf als een herdersjongen die ook weleens een leeuw of een beer te grazen heeft genomen als ze zijn schapen te na kwamen. Hij maakt zich bijzonder kwaad over de schampere taal van Goliat en over het feit dat niemand de strijd met hem aandurft. Hij heeft zijn eigen wapens: stenen en een slinger, dat is herdersgereedschap. Hij doet niet zomaar wat. Hij kan goed mikken en dat weet hij.

Als hij bereid is om de strijd met Goliat aan te gaan, biedt de koning hem een harnas, een helm en een zwaard aan. Maar dat belemmert hem teveel. Hij probeert zich erin te bewegen, maar uiteindelijk gaat hij zonder bepantsering de vrije vlakte tussen de twee legers in. Hij heeft zijn verontwaardiging, zijn rechtsgevoel, zijn innerlijk vuur – en zijn slinger.

Rembrandt maakte in 1655 deze ets over het verhaal. Collectie Rijksmuseum, 11,5 x 7,5 cm.

Dat is wat me vandaag inspireert: wij zijn gewend om ons aan alle kanten in te dekken. Verzekeringen, beveiliging, hang- en sluitwerk, procedures, buurtpreventie, wat niet al. En dan nog (of juist daardoor) voelen we ons voortdurend bedreigd en onveilig. En let op: juist doordat we ons zo indekken, neemt niemand het op tegen het kwaad. We verschansen ons ertegen en hopen dat het de buren treft en niet ons. We zijn vaak als de broers van David, soldaten in volle wapenrusting: ze durfden de strijd niet aan en hielden zich koest in hun loopgraaf, hopend dat een ander het oplost of dat het overwaait.

De kinderen die we dopen, gaan leven in een gevaarlijke wereld. De kans is klein dat ze, zoals ik vroeger, op hun zesde met hun kameraadjes vrij door heel Rotterdam zullen fietsen om te zien wat er te beleven valt. We gunnen ze alle veiligheid die we kunnen bieden – maar ik gun ze ook dat ze vrij en strijdbaar zullen zijn, dat ze dúrven leven. Dat ze ergens goed in zullen worden en daarmee vrijmoedig in de wereld zullen staan.

Uit een brief die Paulus in de 1e eeuw schreef, zullen we vandaag lezen dat wie gedoopt is, ‘met Christus bekleed’ is. Jezus als een jas die jou past, dat is het alternatief voor helm en harnas. Strijdbaar, kwetsbaar, oprecht en met vuur.  Gáán voor recht en liefde, voor de goedheid van God in de mensen. De doop is het symbool dat je in van alles kopje onder kunt gaan, in het leven en in de dood, maar dat je desondanks altijd in Gods licht bent. Dat geeft vertrouwen om niet angstvallig te leven maar vrijuit, strijdbaar en zorgzaam als die herdersjongen.

15 september 2019

Het verhaal over David en Goliat is te vinden in 1 Samuël 17.

Het fragment uit de brief van Paulus is Galaten 3, 24-29.

Meer tussen hemel en aarde (53) – Het goede is beter dan het beste

Deze zondag wordt in vele duizenden kerken wereldwijd het kleine verhaal over Marta en Maria verteld. Het gaat over twee zussen die niet ver van Jeruzalem wonen en Jezus op bezoek krijgen. De evangelist Lucas is de enige die dit verhaal heeft opgeschreven, en in zijn verhaallijn gebeurt het slechts een paar dagen vóórdat Jezus gearresteerd en gekruisigd wordt. Het wordt er niet met zoveel woorden bij gezegd, maar Jezus is niet alleen: de vrouwen ontvangen een heel gezelschap, en je moet je voorstellen dat Jezus in hun huis, of op de binnenplaats, spreekt voor en met zijn volgelingen. Zo ging het met reizende leraren: ze waren her en der te gast voor de maaltijd en voor de nacht.

In een paar zinnen wordt verteld dat Marta ijverig bezig is om het gezelschap te installeren en verzorgen. Maria zet zich tussen de volgelingen aan de voeten van de meester om geen woord van hem te missen. Haar zus Marta komt zich daarover bij Jezus beklagen: kijk eens hoe mijn zus me laat ploeteren. Maar Jezus zegt dan – en dat is de clou van het kleine verhaal:

Marta, ​Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. ​Maria​ heeft het goede deel gekozen en dat zal haar niet worden afgenomen.

Pas op – de nieuwere vertalingen zeggen ‘Maria heeft het beste deel gekozen’, en daarmee maken ze er een heel ander verhaal van. Typisch voor onze samenleving: we willen altijd weten wat het beste is en wie de beste is. We vergelijken ons een ongeluk. We denken: als Maria het goede gekozen heeft, doet Marta dus het verkeerde. Dan zou Jezus hetzelfde doen als Marta: vergelijken en de mensen indelen in winnaars en verliezers.

Marta doet niet alleen haar ding, namelijk de gasten onthalen. Al doende windt ze zich erover op dat haar zus een andere keuze heeft gemaakt. Die irritatie ondermijnt haar eigen goede daden, een deel van haar is afgesplitst en houdt zich op een negatieve manier met haar zus bezig. Weg innerlijke eenheid. Ze wil niet alleen haar eigen ding doen, ze wil dat haar zus niet haar eigen ding doet. Het is zo herkenbaar.

Maar als je dan ‘het goede deel’ (ton agathon merida in het Grieks) vertaalt als ‘het beste deel’, doe je alsof Jezus niet alleen Maria verdedigt, maar ook de keuze van Marta afkeurt – terwijl zij als gastvrouw de gasten onthaalt en verzorgt. Volgens mij bedoelt Jezus: wat Maria doet is goed, wat jij doet is ook goed, behalve dat je moet ophouden met vergelijken, en moet oppassen voor de valkuil van het zelfmedelijden.

In mijn beleving zijn Marta en Maria twee delen van mijn ziel. De doener en de dromer. De gevende en de ontvangende kant. De ijveraar en de luisteraar. Daadkracht en meditatie. Het is onzin om een van die twee ‘de beste’ te noemen – maar het is heel zinnig om beide in balans te houden. De doener loopt zichzelf voorbij en brandt op, de dromer vergeet te eten en gaat dood. De geefster geeft zichzelf leeg en probeert aan alle verwachtingen te beantwoorden, de ontvangster verzamelt schatten en mist het netwerk om ze uit te delen. Behalve als beide met elkaar in evenwicht zijn. De vraag is niet wie van beide je moet kiezen, maar hoe beide ruimte krijgen in jouw bestaan.

Daarom vind ik het leuk dat een kinderbijbel, Woord voor woord, vertelt hoe Jezus na de maaltijd samen met Maria en Marta de vaat staat te doen in de keuken, waar ze nog een mooi gesprek hebben terwijl Jezus de theedoek hanteert. Daar komen rust en drukte bij elkaar, hart en handen, zorg voor het huis en zorg voor de ziel. En geen van beide zussen krijgt het exclusieve gelijk. Want zie de titel hierboven: het goede is beter dan het beste.

21 juli 2019, Piet van Veldhuizen

Het verhaal over Marta en Maria staat in Lucas 10, 38-42.

De kinderbijbel ‘Woord voor woord’ is van Karel Eykman. De verhalen werden eerst vanaf 1966 door Aart Staartjes op TV verteld en later gebundeld, in 1976. In 2016 verscheen de 17e druk als jubileumeditie. Al die drukken waren rijk geïllustreerd door Bert Bouman.

In 2014 schreef ik een gedicht onder de titel ‘Marta’, gemaakt vanuit die verongelijkte positie die volgens mij kenmerkend is voor veel actieve kerkleden en andere leden van het maatschappelijk middenveld in ons land.

Meer tussen hemel en aarde (52) – Doorgeven

Het hele leven is een doorgeefbeweging, op allerlei manieren. We geven leven door van generatie op generatie. In de voedselketen is ‘eten en gegeten worden’ een doorgeefbeweging. De cellen van je eigen lichaam geven in een oneindige estafette van afsterven en vernieuwen hun functies en hun informatie door.

Als we vandaag in De Ark twee kleine kinderen dopen, staat ook dat in het teken van die beweging: een traditie wordt voortgezet, ouders zeggen toe dat ze de verhalen en waarden zullen doorgeven – en dan natuurlijk niet als een theoretisch informatiepakket maar als geleefd leven.

Onbewust geven we ook van alles aan elkaar door. In de afgelopen week zat ik in een kring met acht collega’s en we waren intensief met elkaar in gesprek. Mij valt soms op dat je dan zithoudingen van elkaar overneemt. We waren gestart met een oefening om te gronden, om niet in je hoofd te blijven zitten maar je hele lichaam bewust met de aarde te verbinden. Dus dan staan alle voeten stevig op de vloer geplant. Als dan in het gesprek iemand haar of zijn benen over elkaar slaat, duurt het niet lang of bijna iedereen doet dat. Of als iemand met een haarlok begint te spelen, of begint te geeuwen, let maar op: we zijn niet alleen goede doorgevers, we zijn ook goede overnemers, ontvangers, met heel ons wezen.

Daar zit een ernstige kant aan. We geven levensvreugde en vrolijkheid aan elkaar door, energie en hoop – maar ook angst en nervositeit, argwaan en verongelijktheid. Voor de duidelijkheid: je mag bang of boos zijn en als je het bent, mag je het vooral ook uiten en bij de naam noemen. Want zo gauw je het uit, kan het ook getransformeerd worden of opgelost, en een ander kan dan kiezen: ga ik er in mee of niet? Maar juist als je het binnen houdt, geef je het door, als spanning, als een wolk van onvrede of negatieve energie. Wat je niet oplost, geef je door. Je blijft er zelf mee zitten én je zadelt er je omgeving mee op.

We lezen vandaag in De Ark over Jezus die tientallen leerlingen uitstuurde om twee aan twee voor hem uit te gaan naar de dorpen die op zijn route lagen. Ze kregen de bijzondere opdracht om daar gewoon bij de mensen te zijn, met de energie van zijn liefde, om gastvrijheid te genieten en zich met de zorgen en vreugden van de mensen in te laten. Ze hoefden geen geloofsleer te prediken, ze hoefden niemand over een streep te trekken. Ze gaven de energie van God door. Die hadden ze niet in bezit, want stroom is er pas als het stroomt: pas als je het doorgeeft, is het er ook voor jezelf.

Plaatje overgenomen van de website www.textweek.com

In dat verhaal staat ook een instructie voor het geval dat mensen je afwijzen. Schud dan het stof van die stad van je voeten, zegt Jezus, en ga verder. Dat wil zeggen: neem die afwijzing niet mee als een donkere wolk om jou heen. Als mensen je hun argwaan of afwijzing meegeven, probeer dat dan bij hen te laten, neem het niet mee, want voor je het weet geef je het ook weer door. Schud het af, kies ervoor om voertuig van de energie van zorgzaamheid en liefde te blijven.

Het zou een mooi werklijstje zijn voor elke dag: wat schud ik af, wat noem ik bij de naam, wat ga ik oplossen, en wat geef ik door? De toewijding waarmee je dat doet is een cadeau aan jezelf en aan de wereld om je heen. En ja, een cadeau is ook iets wat je doorgeeft.

7 juli 2019, Piet van Veldhuizen

Het verhaal over Jezus en zijn leerlingen staat in Lucas 10, 1-20. Een radiotoespraak die ik in januari 2016 hield over de Marcus-versie van dit verhaal, is nog na te luisteren maar de tekst ervan staat ook op mijn website.

Meer tussen hemel en aarde (51) – Tiendaagse

Toen de profeet Elia in een vurige strijdwagen naar de hemel werd gevoerd (de bekende spiritual Swing Low, sweet Chariot gaat daarover), werd hij nagestaard door zijn leerling Elisa. Die moest voortaan op eigen benen staan en het profetenwerk van Elia voortzetten. Hij had aan zijn meester gevraagd: als u weggaat, laat dan twee beetjes van uw geest op mij rusten. Alsof hij wilde zeggen: al is het maar een beetje, maar liefst een beetje veel.

Hemelvaart van Elia, Moses ter Borch, 1661 (Rijksmuseum Amsterdam)

Het verhaal over Elia en Elisa speelt achthonderd jaar vóór Jezus. Als Jezus in een verschijning na zijn dood en opstanding opstijgt naar de hemel, staren ook zijn leerlingen hem na. Ook zij moeten voortaan op eigen benen staan en het werk van hun meester voortzetten. En Jezus heeft volgens de evangelieverhalen toegezegd dat zijn geest hen zal vervullen.

Aan die verschijning van de opstijgende Jezus hebben we Hemelvaartsdag overgehouden. Volgens drie van de vier verhalen die erover in de Bijbel staan, gebeurde het op de avond van de dag waarop Jezus uit de dood opstond, dus op Eerste Paasdag. Alleen het vierde verhaal zegt dat het pas veertig dagen later gebeurde, maar dat verhaal heeft onze kalender bepaald – Hemelvaartsdag valt veertig dagen na Pasen. En tien dagen na Hemelvaart is het Pinksteren en dán pas stromen (volgens dat vierde verhaal) de leerlingen van Jezus vol met zijn geest. Ze worden enthousiast, ze weten opeens wat ze moeten zeggen, iedereen verstaat elkaar en begrijpt elkaar.

Die tien dagen vind ik een kostbare periode op de kalender. Stel je de leerlingen van Jezus voor: ze kunnen niets meer aan hem vragen want hij is naar gene zijde vertrokken, maar zelf zijn ze nog leeg, ze weten het allemaal nog niet. Ze kunnen niet anders dan zich openstellen en afwachten wat hun invalt. Eigenlijk zou de christelijke gemeenschap die tien dagen heel serieus moeten nemen door op te houden met alles zo zeker te weten. Ik stel het me voor als een soort jaarlijkse zen-tiendaagse waarin je leeg bent en het allemaal niet weet. En dan natuurlijk niet op Pinksteren gewoon het oude boekje weer gaan volgen en weer precies dezelfde theorie aanhangen als elf dagen geleden. Met Pinksteren luister je met nieuwe oren, kijk je met nieuwe ogen, richt je het leeg geraakte huis van je geloof opnieuw in, waarbij je alle spulletjes tegen het nieuwe licht houdt en er van alles in ontdekt wat je niet eerder had gezien.

Momenteel werk ik aan de Nederlandse vertaling van een boek van de Ierse christelijke activist Pádraig Ó Tuama. Hij pleit op een gegeven moment voor een herwaardering van het begrip ‘bekering’ als een kernwaarde van het christendom – en dan schrijft hij dit:

Theoretisch zou dit dus betekenen dat het christelijk geloof een geloof is dat aangelegd is op verandering, een geloof dat niet omvalt als het zich realiseert dat zijn ideeën of beweringen onjuist zijn. Het zou betekenen dat zij die het christelijk geloof praktiseren blijk geven – telkens en telkens en telkens en telkens weer – van de vreugde van de ommekeer. Het zou moeten betekenen dat het christendom bekend zou staan als het geloof dat geregeld uitspreekt dat het tot nu toe ongelijk heeft gehad.

Daar wil ik in deze tien kostbare dagen graag op kauwen. Als ik met Pinksteren ergens van vervuld wil worden, moet ik bereid zijn om voor die tijd leeg te zijn, en oefenen in openheid om toe te laten wat zich aandient. Intussen speelt Swing low, sweet chariot door mijn hoofd.

2 juni 2019, Piet van Veldhuizen

Het verhaal over Elia’s hemelvaart staat in 2 Koningen 2. De verhalen over de hemelvaart van Jezus staan in Marcus 16, Matteüs 28, Lucas 24 en Handelingen 1.

Het citaat van Pádraig Ó Tuama is te vinden in hoofdstuk 8 (Hello to change) van zijn boek In the Shelter.

Meer tussen hemel en aarde (50) – Imago

Het latijnse woord imago betekent ‘beeld’. We moeten wel aan ons imago werken, hoor ik soms: we moeten naar buiten toe een gunstig beeld neerzetten van wie we zijn. Bedrijven doen dat, verenigingen, en ook kerken. Iedereen wil er graag goed op staan. Als dat niet wil lukken, heet dat een imagoprobleem.

Het lastige daarvan is dat je altijd op het randje van bedrog zit. Er worden maatregelen genomen, lees je soms, ‘om het imago van de organisatie te verbeteren’. Hoezo? Waarom niet om de organisatie zelf te verbeteren? Klopt het beeld wel met wat erachter zit? Wat helpt het oppoetsen van een beeld als de werkelijkheid er niet beter van wordt?

Het woord imago wordt ook in de biologie gebruikt, voor het volgroeide stadium van een insect. Je hebt eerst een rups of made, dan een pop, en tenslotte het imago: de vlinder of libelle. Een rups kan dus alleen aan zijn imago werken door veel bladeren te eten. Hij kan niet net doen of hij een vlinder is, hij kan alleen onderweg zijn naar dat stadium. Hij moet zich niet vermommen maar verpoppen, en zelfs dan is hij er nog niet. Het imago is het eindbeeld, dat wat zich tenslotte ontpopt.

Vanwaar deze wijsheden op het Paasfeest? Omdat er een belangrijke christelijke waarheid in schuil gaat. In het eerste hoofdstuk van de Bijbel wordt gezegd dat God de mensen ‘naar zijn beeld’ heeft geschapen. God had zichzelf in gedachten toen Hij de mensen schiep. Hij zag het voor zich hoe het moest worden. Beeld van God, imago Dei in kerklatijn.

Misschien denk je nu: nou, dat is dan slecht gelukt, of God heeft een stevig imagoprobleem. Maar wacht even – het project is nog niet af. Net als iedereen die scheppend werk doet, werkt God toe naar het beeld dat Hij heeft. Zolang het werkstuk niet af is, denk je: het lijkt nog nergens naar en wat een troep komt ervan! Maar de kunstenaar ziet het al voor zich en trekt het werkstuk langzaam naar het eindbeeld toe. Het imago.

Met Pasen zeggen we dat Jezus is opgestaan, door de dood heen in Gods licht. Dat is waartoe we allemaal bestemd zijn. Ergens in de Bijbel staat daarover: ons leven is met Christus verborgen in God. Wat we nu hebben is het nog niet helemaal, soms lijkt het echt nergens op. Maar God ziet al in ons hoe we zullen zijn als het af is. Hij kijkt ons als het ware die kant op.

Wij leggen elkaar dikwijls vast op beelden uit het verleden. Zoals je gisteren was, daar reken ik je vandaag op af. Eens een dief is altijd een dief. Maar de God van Pasen spreekt ons niet op ons verleden maar op onze toekomst aan. Hij veroordeelt ons niet om alles wat nog niet af is en om alle brokken eromheen, maar verheugt zich op wat eruit zal komen als deze realiteit zich ontpopt tot zijn ware imago.

Als ik aan een klus begin, bijvoorbeeld om een meubel te maken, zie ik al voor me hoe mooi het kan worden. Halverwege vraag ik me weleens af wat ik allemaal overhoop heb gehaald: zoveel rommel en het wil maar niet af komen. Maar het eindbeeld houdt me gaande, ook als de mensen om me heen hoofdschuddend kijken naar die hele tobberij. Zo ongeveer moet het zijn met God en zijn project ‘wereld’. Met Pasen is het eerste exemplaar van een voltooid mens opgeleverd, uit de schillen en het zaagsel vandaan. Hij heeft een ereplek gekregen in Gods licht, waarvan we ons hier midden in de werkplaats geen enkele voorstelling kunnen maken. Zolang je daar niet bent, ben je niet meer of minder geslaagd en al helemaal niet afgekeurd: je bent gewoon nog niet af, maar je imago, je voltooide zelf, is er al: in de scheppende Geest van God.

21 april 2019, Piet van Veldhuizen

De woorden ‘uw leven is in Christus verborgen in God’ zijn te vinden in de Brief aan de Kolossenzen, hoofdstuk 3 vers 3.

De foto van de libelle komt uit de reisblog van een lid van De Ark, ‘Wilma in Malawi’.

Meer tussen hemel en aarde (49) – Je past je maar aan

Veertig jaar geleden werd ik volwaardig lid van de kerk. ‘Belijdenis doen’, heet dat in kerktaal. Als zuigeling was ik gedoopt, en door ‘ja’ te zeggen op een aantal vragen verklaarde ik dat ik als volwassene mijn doop serieus wilde nemen en er helemaal bij wilde horen. Vandaag doet in De Ark ook iemand belijdenis.

Destijds hadden we, in de groep die belijdenis zou gaan doen, heftige discussies – want de vraag was waartegen je ‘ja’ zei. Toch niet tegen dat hopeloze instituut dat de kerk is, zeiden sommigen van ons. De dominee van toen was van mening dat je wel degelijk trouw en gehoorzaamheid beloofde aan het instituut en aan de spelregels van de kerk. Wij, jonge honden, legden liever de nadruk op onze keuze om volgelingen van Jezus te zijn. Trouw aan oude regels en instituties stond bij Jezus niet bovenaan het lijstje. Jezus paste zich aan – hij sprak de taal van de armen en van de dropouts, hij ging door de knieën om melaatsen en bedelaars aan te raken. Maar in de tempel of de synagoge blonk hij niet uit in aangepast gedrag, daar was hij eerder tegendraads.

Vandaag is het Palmzondag, dus we lezen over Jezus die als pelgrim bij Jeruzalem aankomt. Hij maakt er een hele vertoning van. Met zijn volgelingen om zich heen rijdt hij op een ezeltje naar de stadspoort. Geen generaal te paard maar een leider op een ezeltje. Het was een beeld dat iedereen begreep. Wie op een ezel rijdt, drijft niet zijn wil door. Over aanpassen gesproken: op een paard kun je gaan waar je wilt, op een ezel ga je waar de ezel heen wil. Wie op een ezel rijdt, moet geduld hebben. Het is een zachtmoedige koning die op een ezel rijdt, zei de profeet Zacharia een paar eeuwen vóór Jezus al.

Als hij in de tempel komt, valt die zachtmoedigheid als een mantel van hem af: Jezus windt zich zó op over alle gedoe waarmee de priesters en kooplui tussen God en de mensen in gaan staan, dat hij als een razende tekeer gaat. Daarmee tekent hij in feite zijn doodvonnis. Wie zich niet aanpast, moet het veld ruimen – maar Jezus past zich liever aan zijn ezeltje aan dan aan de kerk van zijn tijd.

Op Palmzondag gebruiken we daar een mooi beeld voor uit een oeroud lied: ‘De steen die de bouwers afkeurden, is een ​hoeksteen​ geworden.’ Voor een gebouw gebruik je het liefst stenen die vierkant zijn en allemaal even groot. Zoals we in de kerk ooit het liefst mensen hadden die allemaal hetzelfde dachten en hetzelfde deden. Mensen die niet in ons straatje passen, zien we vaak liever gaan dan komen. Onaangepaste mensen, à la Jezus – hoe geef je die een plek? Zoals bouwers een steen met een lastige vorm buiten de bouwplaats op een hoop gooien, zo wilden ze van hem af. Maar er komt een moment, dat alleen een rare steen het laatste gat kan dichten waardoor het gebouw echt af is.

Vandaag heten we iemand welkom die belijdenis doet. Tegen nieuwkomers wordt vaak gezegd: je past je maar aan. Maar aanpassen – waaraan dan? Aan onze slechte gewoontes? Aan de algemene onverschilligheid? Aan ons gebrek aan lef om echt onszelf te zijn?

De oproep van Palmzondag is dat we ons aanpassen aan Gods hart, dat anders redeneert dan de goegemeente. Het beeld van Gods hart is vandaag die koning op een ezeltje, zachtmoedig en down to earth. Niet de nieuwkomers moeten zich aanpassen, maar wij allemaal. Anders is de hele kerk de moeite niet waard.

14 april 2019, Piet van Veldhuizen

Het verhaal over de intocht van Jezus op het ezeltje staat o.a. in het Evangelie volgens Lucas, hoofdstuk 19 vanaf vers 29. Het beeld van de afgekeurde steen staat in Psalm 118, vers 22.

De foto komt van de website insteading.com van een Engels bedrijf voor duurzame tuinaanleg en ecologisch terreinbeheer.

Meer tussen hemel en aarde (48) – structureel verongelijkt?

Een vader had twee zonen. Zo begint een verhaal dat aan Jezus wordt toegeschreven. Wetsgetrouwe Joden spraken er schande van dat hij zich het lot aantrok van de dropouts van hun religieuze gemeenschap: prostituees en tollenaars (een soort oorlogswinstmakers). Jezus reageert op hun verongelijktheid met dit verhaal.

Over twee broers gaat het, een jongste en een oudste. De oudste heeft eerstgeboorterecht, hij is de bedrijfsopvolger. Hij betoont zich verantwoordelijk, loyaal, ijverig. Hij voegt zich in het familiegebeuren. Ooit zal hij het familiehoofd zijn. De jongste is anders: hij mist de vrijheid en het avontuur. Hij vraagt vervroegd zijn kindsdeel op en trekt er tussenuit. Het is een verhaal dus je raadt al hoe het gaat: de avonturier is al gauw door zijn snelle geld heen, na geldnood komt hongersnood en tenslotte komt hij met hangende pootjes terug. Hij heeft zijn rechten verspeeld en zijn toekomst vergooid, en zo staat hij op de stoep.

Het verhaal vertelt dat de vader hem evengoed met open armen ontvangt. Gewoon omdat hij zó blij is dat hij zijn zoon weer terug heeft. Hij maakt er groot feest van, tot woede van de oudste zoon. Ik kan die broer zó horen praten in mijzelf: kijk, zo gaat dat nou – ik hou de zaak hier draaiende en doe alles volgens het boekje en dat wordt maar normaal gevonden. Nu komt die hoerenloper thuis en hij wordt in het zonnetje gezet. Blijkbaar kun je er maar beter een zootje van maken en dan je hand op komen houden, dan word je nog in de watten gelegd ook.

Het is het soort onvrede waarvan het ritselt in onze samenleving. Wij hebben hard aan dit land gewerkt, en kijk, gelukzoekers en klaplopers gaan er met de opbrengst vandoor. Wij maar belasting betalen en hop, het geld wordt met bakken tegelijk uitgegeven aan losers die het helemaal niet waard zijn. Die onvrede – dat is het oudste-zoon-complex. De verkiezingsuitslag van vorige week is er voor een belangrijk deel door bepaald.

Het akelige van verongelijktheid is, dat het de boze variant van zelfmedelijden is. Het werkt als een vliegwiel, het versterkt zichzelf en het maakt je diep ongelukkig. Het is destructief naar binnen en naar buiten. De oudste zoon in het verhaal wil niet zelf méér krijgen, hij wil dat de ander minder krijgt. Verongelijktheid vindt alleen troost in leedvermaak. Dat zijn trouwens de basis-ingrediënten van elk Donald Duck-verhaal: verongelijktheid en leedvermaak. Waarmee ik maar wil zeggen dat het heel diep in onze samenleving zit. We voeren elkaar ermee, en daarna troosten we onszelf met consumptie.

Wat doe je eraan? Volgens Jezus is er maar één oplossing: je moet zelf uit je verongelijktheid stappen. Je moet gaan kijken met de ogen van de vader. Als je kind in de gevangenis raakt, praat je niet meer zo makkelijk over ‘dat tuig’. Als je kind verkeerde keuzes heeft gemaakt, hoop je tegen de klippen op dat het goed komt. Als je kind met hangende pootjes thuiskomt, sluit je hem/haar niet op in de kelder maar sluit je het in je armen. Niet dat alles dan opeens goed is: er is misschien wel veel en moeizaam huiswerk te doen. Maar je kind leeft!

Dus willen we de structurele verongelijktheid van onze tijd te boven komen, dan moeten we in onszelf de overstap maken. Van het verongelijkte perspectief van de oudere broer omschakelen naar het bezorgde perspectief van de vader. Van het ik-perspectief waarin je altijd tekortgedaan zult zijn naar het wij-perspectief waarin er hoop is dat het weer heel wordt. Die overstap moet je elke dag weer bewust maken. Want de oudste zoon heeft binnen zijn eigen perspectief groot gelijk, maar er is dan geen enkele hoop dat er iets goed komt. Hoop is er alleen vanuit het vaderperspectief, dat volgens Jezus het Godsperspectief is.

Een moeder had twee dochters. Jezus vertelt een mannenverhaal, maar je kunt er ook moeiteloos een vrouwenversie van maken – voor toen of voor nu. Verongelijktheid is van alle genders en generaties, maar dat geldt gelukkig ook van vreugde en hoop.

30 maart 2019, Piet van Veldhuizen 

Het verhaal over de twee zonen staat in Lucas 15, 11-32

Meer tussen hemel en aarde (47) – Wat eeuwig is duurt niet

We zeggen weleens dat iets een eeuwigheid duurt, en meestal bedoelen we daarmee: ellendig lang. De kinderlijke voorstelling van eeuwigheid is dat het niet ophoudt, dus dat het onvoorstelbaar veel tijd is. Dat klinkt ook door in kerkelijke formules als ‘tot in de eeuwen der eeuwen, amen’.

De minder kinderlijke voorstelling is dat eeuwigheid buiten de tijd staat. Eeuwigheid duurt niet, eeuwigheid is. En in de eeuwigheid is alles nú. Eeuwigheid is de totaliteit van het zijn, voorbij de dimensies van ruimte en tijd. Als ik dat zeg, praat ik boven mezelf uit, want heel mijn voorstellingsvermogen is gebonden aan tijd en ruimte. En toch..

Heel soms beleeft iemand een eeuwigheidsmoment. Een totale ervaring van alles waarin je volledig bent opgenomen. Alles wat het een van het ander scheidt, valt weg. Het is onbeschrijflijk. Het komt voor als visioen, als moment van verlichting, als mystieke ervaring. Als bijnadoodervaring, of als trip onder invloed van een roesmiddel (maar dat kán ook heel anders uitpakken..). In minder hevige vorm kan het ook voorkomen als moment van vervoering, zo’n moment waarop alles klopt en niets er toe doet. Even in de hemel, uitgetild boven alles wat je leven beperkt.

We lezen vandaag in heel veel kerken wereldwijd het verhaal over de ‘transfiguratie’ van Jezus – protestanten noemen het meestal ‘de verheerlijking op de berg’. Jezus gaat een berg op, weg uit de diepte en de drukte, om te bidden. Hij neemt zijn kernteam mee, de drie leerlingen Petrus, Jacobus en Johannes. Maar volgens de versie die we vandaag lezen, vallen die drie in slaap zodra ze boven zijn. Jezus beleeft dan zo’n eeuwigheidsmoment. Alles straalt, hijzelf straalt, de grote gestalten uit de traditie (Mozes en Elia) zijn bij hem, de hemel spreekt woorden van liefde en erkenning.

Transfiguratie-ikoon, 15e eeuw, geschilderd door Theofanes de Griek

Dan worden de leerlingen wakker, ze zien iets van de hemelse glans. Petrus, de latere leider van de  eerste christelijke gemeenschap, wil het vasthouden. Hij biedt aan om iets te organiseren, een afdak te maken waaronder het zo kan blijven. Maar dat kan niet: het eeuwige beklijft niet in de tijd. Dat heb je zelfs met foto’s van je meest gelukzalige ogenblikken: de foto houdt het niet vast. Je moet er honderduit bij vertellen om er iets van over te brengen. Als anderen dan knikken, denk je evengoed: ze doen hun best, maar ze snappen niet half hoe het toen voor mij was.

Eeuwigheidsmomenten kun je niet vasthouden, maar ze zinderen wel na. Over Mozes wordt verteld dat hij nog lang bleef stralen nadat hij God had gezien. Volgens het verhaal moest hij zelfs een doek over zijn gezicht leggen omdat de mensen verblind werden door zijn uitstraling. Zoals ook bijvoorbeeld een bijnadoodervaring nog lang in je kan nagloeien, maar pas op, andere mensen weten er geen raad mee.

We zijn altijd omgeven door het eeuwige en door De Eeuwige. Maar de totale glans daarvan ervaar je hoogstens een enkele keer. Een Christusverschijning, een eeuwigheidsvisioen, of zomaar een alles vervullende vrede, een blackout in full colour. Het is er voor een moment. Niet dat de eeuwigheid voorbij gaat: jijzelf komt weer terug in de tijd, want zo zijn wij – wij gaan voorbij. Je blijft niet altijd stralen. Je weet wel voorgoed dat het eeuwige bestaat en dat alles daarin uitmondt. Je zult er altijd naar verlangen.

De christelijke kerk is uit zulke ervaring geboren. Helaas is het lang niet altijd gelukt om daar zuiver mee om te gaan. Eeuwigheidsmomenten kun je immers niet zelf maken, je kunt ze elkaar niet aanpraten of opdringen, je gáát er niet over. Ze komen binnen en buiten de christelijke gemeenschap voor, ze zijn niet afhankelijk van kerkelijke goedkeuring. De kerk is een soort noodopvang in de tijd, en noodopvang moet er zijn maar het geeft ook altijd gedoe. De eeuwigheid organiseer je niet. Het is iets wat ons overkomt.

17 maart 2019, Piet van Veldhuizen

Het verhaal over de transfiguratie staat in Lucas 9, 28-36. Het is ook te vinden in Marcus 9, 2-8 en Matteüs 17, 1-8, maar Lucas geeft de meest uitgewerkte versie.

Meer tussen hemel en aarde (46) – Stilte

Stiltes zijn er in soorten en maten. Het kan weldadig stil zijn of akelig stil. Er kan een beklemmende stilte hangen of een vredige. Tot nog toe heeft niemand een veldgids gemaakt die helpt om alle soorten stilte uit elkaar te houden. Hoe zou je ze moeten ordenen? Op kleur, op klank, op uur van de dag of de nacht? Of hoort een stilte allereerst bij degene die haar ervaart – zodat de een beklemmend kan vinden wat de ander weldadig vindt? Of nog gekker, dat de een iets stilte noemt wat voor de ander herrie is?

Dit weekeinde hadden we in De Ark onze maandelijkse stiltemeditatie. Dat is één uurtje op de zaterdagmorgen. We zitten in een carré tegenover elkaar, op een matje, een krukje of een stoel. In het midden staat de zandloper die tweemaal een halfuur loopt, en tussendoor brengen we even het bloed weer aan het stromen met een bewegingsoefening. Zelf zwijgen we, maar het gebouw maakt des te meer geluid: wind om de hoeken, tikkende leidingen, krakende platen. En van binnen komen bij iedereen de stemmen of de beelden: er klopt van alles op de deur van je stilzwijgen.

Met name oudere gemeenteleden zeggen, als ik erover vertel: ‘Ik moet er niet aan denken!’ Dat vind ik bijzonder, want dat zijn de mensen die elke week moeiteloos een kerkdienst van ruim een uur uitzitten. En vaak zijn ze thuis ook veel stilte gewend. Maar stil zijn zonder afleiding, en elkaars stilte versterken door het samen te doen, dat is blijkbaar nog heel iets anders.

Vandaag lezen we in de kerkdienst over Jezus in de woestijn. Hij zoekt de stilte op voordat hij als prediker en genezer het land in trekt. Veertig dagen is hij in de stilte. Het verhaal zegt dat de duivel hem op de proef stelt, als een stem die hem aan het wankelen wil brengen, die hem ondermijnt. Volgens mij kent iedereen dat die in de stilte terecht komt. Dan komen alle spoken en demonen, twijfels en zorgen en vragen op je af, ze doemen op in je hoofd en je hart.

Misschien is wel het bijzondere van Jezus in dat verhaal, dat hij niet een groot gevecht met de duivel aangaat. Hij slaat er niet op los, hij gaat geen enorm debat aan, hij doet geen bezweringen. Hij stopt er ook zijn oren niet voor dicht en zoekt geen afleiding. In feite zegt hij eenvoudig ‘nee’ tegen elke opmerking die hem onderuit wil halen. Dan komt vanzelf de volgende ondermijnende gedachte en ook daar zegt hij ‘nee’ tegen. Totdat ze allemaal geweest zijn. Het verhaal eindigt met de droge opmerking: ‘Toen liet de duivel hem voor enige tijd met rust’. Dat is het einde van de retraite: alles wat je van je eigen spoor wil afhalen, is langsgekomen, je hebt het opgemerkt, er nee tegen gezegd en het weg laten gaan. Eindelijk rust – voor een poosje.

De kerkdienst van vandaag is een ‘dertigersdienst’, gericht op de generatie die het meest onder druk staat van agenda’s, verplichtingen, verwachtingen. Ook van ieders eigen verwachtingen, want het is een generatie die de lat voor een geslaagd leven erg hoog legt. Het is eigenlijk een drama: we hebben meer vrijheid en mogelijkheden dan ooit, maar dat heeft ons blijkbaar geen rust gebracht. Dertigers lopen zichzelf voorbij, met hun social media-netwerk moeten ze overal te gelijk zijn, en de lijstjes van dingen die je toch een keer gedaan moet hebben, zijn eindeloos. Laat Jezus nou ook een dertiger geweest zijn. Hij had een uitermate productief leven waarin liefde en compassie vrij konden stromen. Maar daar was wel die veertigdaagse netwerkvrije ruimte voor nodig. Welkom in de stilte!

Zondag 10 maart, Piet van Veldhuizen

Het verhaal over Jezus in de woestijn lezen we uit Lucas 4, 1-13.

De afbeelding toont een acrylverf-schilderij van Mahesh Sharma getiteld ‘Silence’, te vinden op de website van Amazon India

De geluiden van de stilte komen mooi uit in de film ‘Into Great Silence’ (Le Grand Silence) van Philip Gröning uit 2015, over het zwijgende leven van de kartuizer monniken in La Grande Chartreuse. Zie de Nederlandse trailer.

Meer tussen hemel en aarde (45) – over water lopen

Waar nu het Hellegatsplein ligt, voornamelijk bekend van filemeldingen als het vastloopt richting Zierikzee, lag vijfenzeventig jaar geleden nog het Hellegat. Dat was de uitgestrekte watervlakte waar het Hollandsch Diep zich opsplitst in Haringvliet en Volkerak. Het was er ondiep en juist daardoor kon het er vreselijk spoken als het stormde.

In 1944 vormde het Hollandsch Diep de grens tussen bevrijd Brabant en bezet Holland. Op een maanloze nacht besloot een man om met zijn gezin de oversteek te wagen in een roeiboot. Ik herinner me niet meer precies waarom en in welke richting, maar het ging over het Hellegat tussen Numansdorp en Willemstad. Het was niet alleen een ontzagwekkende donkere watervlakte: de angst was ook voor de zoeklichten en het geschut van de Duitsers in het noorden en de geallieerden in het zuiden.

Het werd me in de jaren negentig van de afgelopen eeuw verteld door een vrouw die destijds een meisje van negen was, de dochter van die man. Ze was doodsbang geweest toen het avontuur begon. Maar op een gegeven moment had ze een lichtende gestalte gezien die naast de roeiboot met hen meeging. Vanaf dat moment was ze niet bang meer geweest. Alleen had ze haar ouders nooit durven vragen of ze het ook hadden gezien. Het was haar geheim gebleven tot op de dag dat ze het mij vertelde. Ze was inmiddels zestig en nu durfde ze er ook niet met haar volwassen kinderen over te praten, want, zei ze, die zouden haar voor gek verklaren. De ervaring was te kostbaar voor haar om te riskeren dat erom gelachen zou worden. Maar één keer moest ze het toch aan iemand vertellen – en als haar predikant had ik het geluk om degene te zijn aan wie ze het vertelde. Het was alsof ze het al pratend opnieuw beleefde.

Omdat we vandaag in De Ark een kerk-en-schooldienst hebben over ‘Jezus die over het water wandelt’, kwam dit verhaal de afgelopen dagen steeds weer in mijn gedachten. Afgelopen donderdag mocht ik op school in alle groepen alvast iets zeggen of vragen over de dienst, en in groep 5 besloot ik het verhaal van die vrouw te vertellen. Het Bijbelverhaal over de verschijning van Jezus op het water was al eerder verteld, dat kenden ze wel. Maar dat iemand nú zoiets zou kunnen meemaken? Een meisje riep: nee dat gelóóf ik niet, dat kan niet! Anderen kwamen haar te hulp: het was een gevoel maar het was niet echt waar! Toen ik zei dat er wel meer mensen waren met dit soort ervaring, bleef dat ene kind roepen: dat gelóóf ik niet! Echt niet!

Tot mijn eigen verbazing voelde ik me blij worden van zoveel stralend ongeloof. Het was een monter kind, bepaald niet iemand die zich in de hoek gedreven voelde door mijn verhaal. Ik besefte dat ze alle ruimte moest krijgen om het niet te geloven, om haar eigen intuïties serieus te nemen. Dat heb ik toen ook gezegd: je hoeft het niet te geloven. Want geloof moet je niet opgelegd worden, het is jouw eigen relatie met de werkelijkheid.

Maar ik was wel blij dat het niet over een bijzondere ervaring van mijzelf ging. Want als met zoveel kracht gezegd wordt dat het niet waar kan zijn wat je vertelt, word je daardoor apart gezet, als iemand die niet spoort of als iemand die fantaseert. Dat maken heel wat mensen mee, en daarom blijven heel wat bijzondere ervaringen voor altijd onverteld. Ze worden zodoende geen deel van ons gezamenlijke wereldbeeld.

Als er een bewakingscamera had gestaan, bij het Hellegat of bij het meer waarover Jezus wandelde – zou er dan iets te zien zijn geweest? Ik weet het niet, maar het zou waarschijnlijk ook niets zeggen over de echtheid van de ervaring. Het was in ieder geval een ervaring die een mensenleven meeging en levenslang vertrouwen gaf.

Zondag 17 februari, Piet van Veldhuizen

Over Christusverschijningen nú heeft mijn collega Berthilde van der Zwaag een boeiend onderzoek geschreven: Als Christus verschijnt. Christusverschijningen in deze tijd.

Het Bijbelverhaal dat hier aan de orde is, staat in Johannes 6, 16-21.

De afbeelding is een schilderij van de Armeens-Russische zeeschilder Ivan Aivazovsky die leefde van 1817 tot 1900. De titel is ‘Chozdjenje po vodam’: ‘wandelen over water’.

Meer tussen hemel en aarde (44) – Vissen achter de spiegel

De eerste leerlingen van Jezus waren vissers. Volgens de oude verhalen is dat geen toeval: Jezus is op hen afgestapt, tweemaal twee broers met scheepjes en netten, en heeft ze gezegd dat ze voortaan mensenvissers zullen zijn. Vandaag lezen we in De Ark de versie van dat verhaal die Lucas in zijn evangelieboek heeft genoteerd.

Mensenvissers – dat is een beeld waarmee veel kan misgaan, vooral in een eeuw van pulsvisserij en sonar. Je zal maar in de netten van de kerk verstrikt raken! Net als in de visserij letten ze daar vaak vooral op de aantallen: als het maar veel is. Ze kicken op volle kerken, ook al raken daar net als in volle netten de kleintjes gemakkelijk in de verdrukking. Als je eenmaal binnen bent, mag je hopen dat ze een beetje netjes met je omspringen.

Je ziet, ik word van deze beeldspraak gemakkelijk een beetje cynisch. Zowel over de visserij als over de kerk zijn genoeg nare verhalen te vertellen. Die kunnen dan maar het beste verteld en serieus genomen worden. Maar gelukkig is er ook een andere kant.

Het oude vissen uit Bijbelse tijden leek meer op wat ik vroeger deed, toen ik nog weleens een hengeltje uitgooide. Je spoorde niet met de sonar een school vissen op om die vervolgens zo’n beetje in zijn geheel uit de zee te scheppen. Je had een werpnet en daar deed je het mee. Je kon niet door de waterspiegel heen kijken. Je deed het met aandacht en geduld, en soms ving je niets.

Waterspiegel, hemelspiegel

Als ik als pastor naar mensen luister, is dat ongeveer de situatie. Ik kan vissen naar wat er in iemand schuilgaat. Niet door enorm te roeren en te toeteren – zo gaat dat niet. Met geduld en aandacht wacht ik op wat er achter die spiegel gebeurt. Ik vis in een wereld waar ik nog geen weet van heb – want wat ik denk te zien is vaak mijn eigen spiegelbeeld. De diepte van de ander kan ik alleen vermoeden, en er met groot respect een lijntje in uitgooien. Zoals ik er nu over spreek, is de ander niet de vis maar de zee.

Of misschien is de wéreld van de ander de zee, en moet ik geduld en aandacht hebben omdat ik nog niet weet hoe die ander daaruit boven water gaat komen. Ik moet er niet meteen bovenop springen als de dobber even trilt. En als ik beet heb, moet ik vooral behoedzaam zijn. Het lijntje eerder vieren dan aantrekken. En beseffen dat ik nog steeds niet weet wat ik precies aan de haak heb. Eigenlijk heeft de vis ook mij gevangen, met heel mijn aandacht.

Daar breekt het beeld af. Ik ga die ander niet opmeten, fileren en/of roosteren. De beeldspraak maakt zichtbaar dat je als ‘mensenvisser’ omgaat met een groot geheim, aandachtig en geduldig. Dat het daarbij altijd gaat om de vrijheid en het geluk van die ander, past niet meer in het vissersbeeld. Wat er nog wél in past: vissen kan iedereen en luisteren ook. Maar sommigen hebben er hun beroep van gemaakt of hebben veel ervaring. Die lezen de tekenen van het weer en het water, ze kennen hun materieel en hebben feeling ontwikkeld voor de onderwaterwereld die ze niet kunnen zien.

Als ik op zondag twintig minuten preek, of soms wat langer, is dat de oogst van heel veel doordeweekse uren langs de pastorale waterkant, luisterend naar mensen, naar verse verhalen en oude teksten. Als ik de dobber zie trillen, denk ik: dat komt zondag wel weer goed..

10 februari 2019 – Piet van Veldhuizen

Het verhaal over de vissers die mensenvissers worden, staat in Lucas 5, 1-11. In Marcus 1, 16-20 wordt een andere versie van het verhaal verteld.

De foto is in juni 2018 genomen. Het is het water van de Natisone, gezien vanaf de brug van Cividale del Friuli in Noordoost-Italië.

Meer tussen hemel en aarde (43) – onze Frenkie en onze lieve Heer

Het was groot nieuws in de afgelopen dagen: de 21-jarige Ajax-speler Frenkie de Jong is voor vijfenzeventig miljoen euro verkocht aan FC Barcelona. Hij is een ster, een held, een belofte. Daar moesten de media uithalen wat erin zit, en zo stonden de reporters opeens ook aan het voetbalveld in Arkel. Want daar komt de sportheld vandaan. Ze waren op zoek naar glunderende clubleden van ASV Arkel die trots waren op ‘onze Frenkie’. Ze wilden horen hoe zijn succes afstraalde op de mensen met wie hij was opgegroeid. Een reporter suggereerde zelfs dat zij daar in Arkel eigenlijk wel recht hadden op een aandeeltje in het succes: een uitje naar Barcelona of een klein hapje uit dat miljoenenbedrag.

Het doet me erg denken aan het verhaal over Jezus dat we vandaag in de kerk lezen. Hij begint naam te maken als prediker en genezer. Op een dag is hij terug in Nazaret, het stadje waar hij opgroeide. Het is sjabbat, de heilige dag, en in de synagoge mag hij de heilige teksten lezen en daar iets bij zeggen. Door hem die eretaak toe te vertrouwen, erkennen de mensen van zijn moederstad hem als leraar. En hij doet het goed: de toehoorders zijn opgetogen. “Dat is toch de zoon van Jozef?”, fluisteren ze tegen elkaar – onze eigen Jezus!

Je gaat bijna meeglunderen als je het leest, maar dan doet Jezus iets waardoor de stemming helemaal omslaat. Ik heb er altijd weer moeite mee als ik het verhaal lees. Hij weet met een paar zinnen die opgetogen menigte tegen zich in het harnas te jagen. Hij weigert het om voor zijn stadgenoten ‘onze eigen Jezus’ te zijn. Hij zegt zoiets als: nu willen jullie zeker dat ik al mijn kunstjes voor jullie doe? Want in je moederstad word je niet geëerd maar geclaimd! Daar willen ze kunnen zeggen: ik heb nog met hem gevoetbald..

Jezus wil zich niet laten claimen, hij wil vrij zijn. Daar moeten christenen van nu zich ook rekenschap van geven: hij is niet van ons. Als hij voor de wereld een rake boodschap heeft, moeten we niet glunderen (“goed hè, onze Jezus!”) maar ons aangesproken voelen. Hij is van iedereen of van helemaal niemand. Hij scoort geen punten voor ons. Hij is niet de kampioen of de mascotte van de kerk. Hij is zichzelf en hij vraagt van ons dat we ook onszelf zijn: mensen in wie het licht van God schijnt, of we onszelf nou gelovig noemen of niet.

In Arkel was de voorzitter van de voetbalvereniging gelukkig heel nuchter. Frenkie heeft hier van zijn zevende tot zijn negende jaar gevoetbald, zei hij, dus het zou onzinnig zijn om iets van zijn succes te claimen. Zijn boodschap was helder: als alle hijgerige heisa voorbij is, gaan we gewoon weer zelf voetballen. Dat is de enige manier waarop er vroeg of laat weer zo’n ster kan gaan stralen.

We vieren vandaag in De Ark de maaltijd van de Heer, het rituele vriendenmaal van Jezus. Ieder neemt een stukje brood en een slokje wijn. Jezus heeft ooit tegen zijn eerste volgelingen gezegd dat hij zich op die manier uitdeelt, als kracht en liefde. Wie aan dat ritueel deelneemt, stelt zich ervoor open om zelf een belichaming van de Heer te zijn. Niet meeliften op zijn succes, maar belichamen waar hij voor staat. Dan ligt de bal dus bij jou.

27 januari 2019, Piet van Veldhuizen

Op 23 januari 2019 werd de transfer bekend gemaakt waarmee Ajax-speler Frenkie de Jong verkocht werd aan FC Barcelona.

Het verhaal over Jezus in Nazaret vind je in het evangelie: Lucas 4, 14-30

De onderste afbeelding komt van een campagne van Stichting Woord&Daad, een christelijke organisatie voor armoedebestrijding wereldwijd.

Meer tussen hemel en aarde (42) – Nergens aan doen

“Mijn kinderen doen nergens meer aan” – dat hoor ik ouders soms zeggen over hun volwassen kinderen. Nergens aan doen, denk ik dan, hoe doe je dat?

Als kerkmensen die uitdrukking gebruiken, bedoelen ze dat hun kinderen niet meer naar de kerk gaan. Misschien ook geen tafelgebed meer uitspreken bij het eten. Ze hebben de gewoonten en rituelen van de kerkelijke traditie losgelaten. Vaak wordt er direct achteraan gezegd: “Maar het zijn geweldige mensen, ze staan altijd voor je klaar.” Waarop ik dan zeg: o, dus ze doen wél ergens aan. Als ze het goede doen, wat wil je dan nog meer?

Natuurlijk weet ik op die laatste vraag het antwoord wel: je wilt dat ze in God geloven, of liever, dat ze hun geloof vormgeven op de manier waarop we dat altijd hebben gedaan. Dat ze voortzetten wat wij ze altijd hebben willen meegeven: naar de kerk gaan, bidden, in de Bijbel lezen. Maar je wilt niet dat ze dat alleen maar doen om jou een plezier te doen.

Deze weken lezen we in De Ark uit het Bijbelboek Ester. Dat gaat over een joods weesmeisje dat via een soort schoonheidswedstrijd koningin van het Perzische rijk wordt. Een soort bijbelse Assepoester. In joodse kringen wordt dit boek gelezen op het Poerimfeest, straks in maart, het joodse carnaval. Tweeduizend jaar geleden is het nog wel een kwestie geweest of dit geschrift wel bij de heilige boeken hoorde. Want God wordt er niet in genoemd, en religieus geloof speelt er geen rol in.

Aerts van Gelder (1685): Esther en Mordechai

Dus vandaag zal ik in de preek zeggen dat Ester nergens aan deed. Nergens in het lange verhaal lees ik dat ze een gebed doet. Ze laat zich tijdens de wekenlange schoonheidsbehandeling in het paleis allerlei voedsel voorzetten en zal later ook telkens met de koning eten – en niets wijst erop dat ze een punt maakt van kosjer eten. Het verhaal bestrijkt jaren, maar nergens komt een sjabbat voor of een religieus feest, de synagoge komt niet in beeld. Kortom: ze doet nergens aan. Maar ze doet wel het goede, ook als daar moed voor nodig is.

Wat ik vooral mooi vind aan Ester, is dat ze nergens op uit is. Ze wil helemaal niet per se koningin worden. Ze doet aan de beauty contest mee omdat haar oom en opvoeder dat van haar vraagt. Ze laat de dingen komen zoals ze komen zonder daar zelf dwingend in te zijn. Misschien moeten mensen die wél ‘ergens aan doen’, kerkmensen, dat leren van Ester die nergens aan doet: minder dwingend zijn, meer open voor wat er op je pad komt. Als het uur der waarheid komt, staat Ester haar mannetje en redt zij haar volk van de ondergang. Ze gebruikt haar invloed maar ze grijpt niet de macht. Ze doet kleine dingen die heel groot zijn: met een weldadige eenvoud, moed en oprechtheid pleit ze bij de koning om recht. Niet meer, niet minder.

Ester ‘doet nergens aan’ en God komt in haar verhaal niet voor. Maar je kunt ook zeggen: als God érgens aan het licht komt, dan is het in een mens als Ester. En misschien ook wel in jouw kinderen die nergens meer aan doen.

20 januari 2019, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (41) – Kostbaarheden

Als ik een zondag vrij heb, neem ik soms een gastpreekbeurt ergens anders aan. Op Driekoningen, zondag 6 januari, ben ik op Ameland om voor te gaan in het kerkje van Ballum. Een mooie aanleiding voor een lang weekeinde op het eiland.

Terwijl ik afgelopen donderdag naar het noorden reed, deed Radio 1 voortdurend verslag van de ramp die zich daar aftekende: 270 containers van een schip gevallen, de inhoud daarvan die zich verspreidt op de stranden en op het wad. Er zijn beelden van jutters met grote tv’s, vrieskisten, stoelen.

Maar het is vooral troep. Toen ik vrijdag op het Amelandse strand liep, lag er langs de hoogwaterlijn een onafzienbare streep plastic. Verpakkingsmateriaal, tienduizenden zakken en vellen wit plastic. En heel veel stukken van houten lijsten of sponningen. Hier en daar een stoelzitting, maar de grote stukken waren een dag eerder al geborgen. Onder een gure hemel werd met man en macht geruimd, door eilanders en toeristen, met zwaar landbouwmaterieel, met een bonte stoet aan terreinwagens, maar vooral met blote handen en met vastberadenheid: het moet hier schoon! Je zag de kracht van een kleine samenleving waar iedereen aanhaakt als er een klus te klaren is.

Het schip dat deze gaven naar de Wadden bracht, is één van de grootste oceaanreuzen, de MSC Zoe. Het vaart onder Panamese vlag en is van een Zwitserse firma. Het schip past niet in het Panamakanaal en in Zwitserland kan het al helemaal niet komen – dat zijn papieren waarheden, administratieve ficties. De spullen kwamen, vermoed ik, vooral uit het Oosten. Als ze niet hier op het strand terecht waren gekomen, waren ze aangespoeld in Europese winkelschappen, met minder zand en water, maar evengoed voor een groot deel al bijna afval. Spullen waarvan een groot deel beter nooit gemaakt had kunnen worden. Spullen, bedoeld om snel kapot te gaan en weer vervangen te worden.

Volgens het bijbelse verhaal brachten de drie koningen (of wijzen, magiërs) ook gaven uit het Oosten mee: mirre, wierook en goud. Op de meeste afbeeldingen hebben ze die in kleine potjes bij zich, als kostbaarheden die niet groter zijn dan het hart van de gever. Ze overladen het Christuskind niet met rijkdommen, maar bieden iets van geur, glans en gewicht aan, uitdrukkingen van diepe aandacht en erkenning.

Aandacht, altijd weer het thema in deze columns. De ‘wijzen uit het oosten’ zijn er een toonbeeld van. Ze volgen aandachtig de sterren aan de hemel. Ze gaan op reis naar wat ze nog niet kennen, als spoorzoekers. Ze nemen een kind serieus dat nog helemaal niet ontdekt is in zijn eigen omgeving. Ze luisteren beter naar hun dromen dan naar de bevelen van de lokale machthebbers. Open mensen opzoek naar wat kostbaar is en wezenlijk, om het te begroeten.

Het verhaal in de Bijbel noemt geen aantal, maar al gauw werd het een verhaal over drie magiërs. Ze kregen mettertijd namen en eigenschappen, en de feestdag heet ‘Driekoningen’. Vervolgens komen er natuurlijk ook verhalen over de vierde wijze. Eigenlijk is het hele verhaal een rollenspel waarin je uitgenodigd wordt een personage te kiezen. Er is een angstvallige tiran (Herodes) die van geen koningskind wil weten, want dat zou zijn macht bedreigen. Er zijn gedienstige schriftgeleerden en priesters die in de heilige boeken precies uitzoeken hoe het zit maar verder niet in beweging komen. En er zijn de wijzen, magisch en koninklijk in hun toewijding aan wat echt aandacht verdient. Zeg maar bij welke club je wilt komen, en doe er wat mee. Het zou me niet verbazen als de drie koningen op de terugweg nog even meehelpen om het strand weer schoon te maken.

6 januari 2019, Piet van Veldhuizen

De foto rechtsboven komt uit een persbericht van de gemeente Ameland.
Het verhaal over de wijzen of koningen vind je in de Bijbel in het Evangelie volgens Matteüs, hoofdstuk 2.

Meer tussen hemel en aarde (40) – Annunciatie

Het tafereel uit Lucas 1 waar de engel Gabriël aan het meisje Maria verschijnt, wordt in de traditie aangeduid als de ‘annunciatie’, de aanzegging. Het is talloze keren afgebeeld door schilders van vroeger en nu. Ooit heb ik een uitgebreide verzameling aangelegd van die taferelen, uitgebeeld door beroemde schilders als Leonardo da Vinci, de gebroeders Van Eyck, Rembrandt, El Greco.

Wat me dan opvalt, is dat de kunstenaars niet proberen om Maria en haar omgeving zo oosters mogelijk te schilderen. Integendeel, ze laten het tafereel meestal plaatsvinden in hun eigen hier-en-nu. Alsof ze willen zeggen: het kan ook jou overkomen.

Het is ingrijpend maar ook heel eenvoudig. Dat iemand (een engel) je zegt dat je bestemd bent om draagster of drager van Gods liefde te zijn. Dat je de schat van Gods genadige aanwezigheid, kwetsbaar en teer, zult dragen en koesteren in een onrustige wereld. Dat je het in jou laat groeien. Dat het door jou heen in de wereld komt.

2 december 2018 – Piet van Veldhuizen

Deze kleine column is een lichte bewerking van de tekst op de voorkant van het gelijktijdig verschenen kerkblad van de Hervormde Gemeente te Hendrik-Ido-Ambacht.

Het afgebeelde schilderij is van de Engelse schilder Dante Gabriël Rosetti en dateert van 1849. Het heet Ecce Ancilla Domini (‘Zie de dienares van de Heer’).

Meer tussen hemel en aarde (39) – Ogen

Vier grote wezens bij de troon van God, van voren en van achteren vol ogen. Ze hebben elk zes vleugels waarvan de randen ook vol ogen zijn, en de binnenkant ook. Hoe moet ik me dat voorstellen? Als een pauwenstaart, als de vleugels van sommige vlinders?

Ik lees over zulke wezens-vol-ogen in het boek Openbaring, de laatste tweeëntwintig hoofdstukken van de christelijke Bijbel. Het is een visioen, een hemels droombeeld, vertaald in woorden die alleen kunnen beschrijven wat je al kent. Dus je kunt amper zeggen ‘zo was het’ of ‘zo is het’, hooguit ‘hier leek het op maar het was toch weer anders’. Maar je kunt wel gissen naar de betekenis.

Al die ogen staan volgens mij voor aandacht. Dat je alles op je laat inwerken, dat alles bij je binnenkomt. Dat je niet direct reageert of een oordeel klaar hebt. Dat je ook niet koortsachtig naar iets zoekt. Ze scrollen of zappen niet, die ogen. Ze zijn pure aandacht.

Het doet me denken aan een kind dat stil in een hoekje van de huiskamer zit terwijl de volwassenen hun volwassen gesprekken voeren. Je kent het wel: zo’n kind registreert alles. Alsof het één grote schotelantenne is. Pas veel later komt het eruit, in een vraag of een opmerking.

In het visioen in Openbaring zijn die vier grote wezens de vier vaste tekens van de dierenriem: stier en leeuw, mens en adelaar. Vandaag de dag noemen we die mens ‘waterman’ en de adelaar uit de oude Babylonische dierenriem is later ‘schorpioen’ gaan heten. Ze vertegenwoordigen elk het begin van één van de vier seizoenen, en samen omspannen ze het hele universum.

Een wereld vol aandacht met God als middelpunt. Dat is een mooi visioen, bedoeld om tegen mensen in allerlei verdomhoekjes te zeggen: je bent gezien, je wordt gehoord, je zult niet kwijtraken in een blind universum! Tijd en ruimte, en alles vol aandacht. Dat is het tegenovergestelde van het blinde lot.

Want niet het lot is blind: wij zelf zijn vaak blind, omdat er in onze blik zo weinig rustige aandacht is. Tijdens een ontmoeting zoeken onze ogen alweer naar het volgende. Als we tegen iemand aan praten, hebben we dikwijls niet door dat die iemand allang niet meer kan luisteren: te moe, te murw, of bezet (‘in gesprek’, piep-piep-piep) met heel andere zorgen. De poes of de hond zijn vaak veel aandachtiger en fijngevoeliger dan wij.

Gelukkig hebben we ze wel, die momenten van totale aandacht. Als je een pasgeboren kind in je armen houdt. Of als je waakt bij een stervende. Dat zijn tijdloze momenten, stille eilanden van eeuwigheid. Dan is zo’n visioen uit het boek Openbaring even helemaal niet ver weg. Je bent voor even in die stralende dimensie waarvoor we geen woorden hebben. Je bent dan niet aan het filmen of appen of roepen, je vráágt geen aandacht, je bént aandacht. En samen met het kind, of met de stervende, kun je je opgenomen voelen in een grotere aandacht die alles overstijgt, en die ik de liefde van God noem.

Op deze zondag gedenken we de gestorvenen uit ons midden. Gedenken, dat is ook helemaal vol ogen zijn. Het allemaal nog eens aandachtig zien, met mededogen en in warm licht.

 

25 november 2018, Piet van Veldhuizen

 

De vier wezens: eeuwen later ontstond het idee dat leeuw, stier, mens en adelaar symbolen zijn van de vier evangelisten Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes. In de christelijke kunst heeft dat idee een hoge vlucht genomen. Maar het is zéker niet het idee dat de schrijver van Openbaring erbij had. 

De beschrijving van de vier kosmische wezens is te vinden in Openbaring 4, maar ook in latere hoofdstukken komen ze telkens ter sprake.

Meer tussen hemel en aarde (38) – De hemel en de zwaartekracht

Aan een kiezelstrand op Sardinië kreeg het ons te pakken: stenen stapelen. Niet zoals een bouwvakker het doet, maar zo dat de stenen lijken te spotten met de zwaartekracht. Zie de foto. De rare ervaring is dat het soms een hele tijd niet wil lukken. Je vingertoppen communiceren met drie, vier stenen tegelijk om die denkbeeldige ruggengraat te vinden waarvan elke steen een wervel is. Toe nou, denk je, werk mee! En dan opeens voegen de stenen zich, alsof ze denken: okee dan. De sensatie was niet: Wat kan ik dat goed! Maar eerder: Wat gebeurt hier, dit kan toch niet. Alsof de stenen toch ook een héél klein beetje bezield zijn.

In het binnenland van dat grote eiland vonden we nog veel imposanter stapelwerk. De nuragische cultuur heeft tussen 3500 en 3000 jaar geleden wel zevenduizend stenen burchten laten verrijzen, verspreid over heel Sardinië. Allemaal gestapeld, met torens tot twintig meter hoog, drie verdiepingen met koepelkamers, uitstulpende torentransen, en dat helemaal zonder cement of leem. Nu vind je alleen nog de restanten, vaak nog indrukwekkend genoeg, en in het museum zie je de bronzen schaalmodellen die ze ook maakten, klein als speelgoed – waardoor we gelukkig weten hoe de grote burchten er hebben uitgezien. Die nuragische mensen moeten een geweldige voeling met de stenen hebben gehad, en gevoel voor de balans tussen zwaarte en lichtheid. Ik zie ze niet alleen zwoegen en sjouwen maar ook spelen met hun stenen, net zolang tot de stenen meedoen en het bijna-onmogelijke laten gebeuren.

Zonder de zwaartekracht zou het niet gaan. Dat vind ik mooi: het gaat hemelwaarts, tegen de valrichting in, dankzij de zwaartekracht. Het evenwicht waarmee je je opricht of waarmee je de volgende steen laat balanceren, weer een trede dichter bij de hemel, moet het niet hebben van gewichtsloosheid maar van zwaarte.

Daar moet ik ook aan denken bij de Bijbeltekst van deze zondag: Openbaring 4. Dat gaat over de hemel, de ontastbare werkelijkheid die in alle opzichten boven ons uit gaat. Maar om daar een voorstelling van te maken, heb je tastbare beelden nodig, beelden van hier beneden. Edelstenen, goud, dierwezens, fakkels, kristal. Dat is, als je het zou moeten klaarzetten, een enorm gewicht aan materiaal en een aanslag op de lichtheid van het totaalbeeld. Het kan niet anders: alle voorstellingen over de hemel komen van de aarde. Het onvoorstelbare kun je alleen aanduiden in voorstelbare termen.

Zonder zwaartekracht kun je niet opstaan. Meditatie begint niet met zweven maar met aarden, gronden, goed zitten, in je lichaam zijn. Er is geen hemel zonder aarde. Maar het omgekeerde is even waar, geloof ik: er is geen aarde zonder hemel. Onze zware werkelijkheid is gevat in iets zoveel ruimers, groters, lichters. Dat is de stralende boodschap van Openbaring 4. De zwaartekracht die ons aan de aarde kluistert, is de kosmische danspartner van een goddelijke lichtheid die alles vleugels geeft. Ga ook eens kiezels stapelen, dan zul je ontdekken wat ik bedoel.

4 november 2018, Piet van Veldhuizen

 

Zie hier de links voor een reconstructie van een nuragische burcht, een beeld van de restanten zoals we ze nu nog aantreffen, en beelden van bronzen en stenen schaalmodellen die de Nuragiërs zelf hebben gemaakt.

Meer tussen hemel en aarde (37) – Hazelnotengaarde

De straat tegenover De Ark heet Dadelgaarde, maar de gemeente heeft er ooit hazelaars geplant. Niet zoals je ze in het wild kunt tegenkomen, als notenstruiken die een haag vormen, maar als echte boompjes met een stam en een kroon. Recht tegenover De Ark staan er zes bij elkaar, en verderop staan er nog tweeëntwintig, telkens één bescheiden boompje tussen de parkeervakken. Al halverwege september kraakte het onder de banden van fietsen en auto’s van de nootjes. In stekelige trosjes vallen ze uit de boom, en zodra ze uitdrogen, rollen de nootjes los over straat. Soms veegt een ijverige bewoner ze aan de kant.

Vijf weken geleden raapte ik onder twee boompjes in een paar minuten een grote schaal vol hazelnoten bij elkaar. Ze zijn klein maar de smaak is geweldig. Met een goed afgestelde griptang kun je gemakkelijk de schil kraken zonder het nootje te verpletteren. Al doende bedacht ik hoe ik pure chocolade zou smelten om mijn eigen reep met hele hazelnoten te maken. Maar ze waren te lekker, ze hebben de chocola nooit gehaald.

In de afgelopen weken heb ik heel wat reclame voor deze gratis lekkernij gemaakt, maar er is geen run op gekomen want ze liggen er nog steeds. Raar eigenlijk, dat we ze blijkbaar liever uit plastic hebben dan van de boom. In de afgelopen dagen heb ik nog een keer geraapt – opnieuw was de schaal bij het tweede boompje vol.

Toch zag ik nu dat er ook andere kapers op de kust zijn. In nogal wat nootjes was een schattig rondje geknaagd, tandje voor tandje, alsof er een dekseltje af was gegaan. Precies groot genoeg om het nootje eruit te kunnen lichten. Dat is woelmuizenwerk. Dus als je hier ’s nachts op straat zou gaan zitten en je zou je niet verroeren, dan zou je ze aan het werk zien, ijverig en geconcentreerd, handjes om de noot geklemd. Voor een muisje is zo’n noot te groot om mee te nemen, dus het werk moet ter plekke gebeuren. Zij met hun tandjes en ik met mijn tang: het voelt collegiaal.

De notenweelde doet me denken aan een boek dat ik onlangs weer terugvond in mijn boekenkast: De luxe van Jezus. Dat gaat over ‘een spirituele kijk op luxe’. Volgens dat boek is alles in de schepping gebaseerd op overvloed. Alles wat zaad produceert, maakt oneindig veel meer dan er strikt nodig is – kijk maar naar de nootjes en kijk maar naar jezelf. Kwistigheid is de norm, zuinigheid is een uitzondering. Het boek zegt: zo is God. Niet enghartig maar ruim. Dus wees met je geloof niet krampachtig, maar ontspan.

Geniet van de ruimte, de overvloed – maar zoek ze dan wel waar ze is. Bijvoorbeeld op je stoep als het daar nootjes regent. Zie het als een knipoog uit de hemel!

14 oktober 2018, Piet van Veldhuizen

 

Op meerdere websites kun je vergelijken hoe verschillende diersoorten aan hazelnoten knagen. Die mooi uitgeknaagde rondjes komen van woelmuizen, hazelmuizen of eekhoorns – en voor zover ik weet komen alleen van die eerstgenoemde muizenfamilie soorten voor in ons dorp.

Het boek ‘De luxe van Jezus. Een spirituele kijk op luxe’ is geschreven door Werner Tiki Küstenmacher (dezelfde van wie ik het boek God 9.0 heb vertaald) en uitgegeven bij Forte B.V. in 2009.

 

Meer tussen hemel en aarde (36) – Hiep hiep help!

Helpen, prima! Maar geholpen worden? Liever niet. Het is prettiger te helpen dan geholpen te worden, of zoals de Bijbel het zegt: het is zaliger te geven dan te ontvangen.

We groeien op tot zelfstandige mensen. Als een peuter zegt: “Ikke zelf doen”, is dat het begin van een hoopvolle ontwikkeling. Onafhankelijk worden, je eigen vorm vinden, zelfvertrouwen krijgen: het is zó belangrijk. Zo ontgroei je de hulpeloosheid van het begin.

Maar als de nadruk altijd maar blijft liggen op de onafhankelijkheid van het individu, wordt het moeilijk om hulp te vragen en hulp toe te laten. Ik heb daarover deze week gesproken in groepen van diverse leeftijden: op de basisschool, in een wooncentrum voor senioren, in een groep middelbare scholieren, en met een aantal van hun ouders. Helpen doen we allemaal graag, maar bij hulp vragen hebben we onze aarzelingen. Jongeren vinden het niet stoer. Ouderen willen er anderen niet mee belasten. Middelbare volwassenen hebben zo hun ervaring met afwijzing en willen niet opnieuw hun neus stoten. Gek eigenlijk: er is hulpvaardigheid te over, maar we tobben wat af om het zonder hulp te redden.

Zelf ben ik ook zo iemand die niet snel om hulp vraagt. Ik houd graag de controle, dat is één. Ik maak me niet zo graag kwetsbaar, dat is twee. Het is mijn eer te na: drie. Stel dat ik het vraag en ze zeggen ‘nee’ – vier. Of dat ze ‘ja’ zeggen maar ze vinden me een lastpost. Vijf slechte redenen om niet om hulp te vragen, ik weet het. Ik heb het al zo vaak gehoord: “Had dan even gevraagd!”

We lezen vandaag in de kerk een mooi verhaal over Mozes. Hij heeft zijn volk op sleeptouw genomen, weg bij de slavendrijvers in Egypte. Ze hebben ergens in de woestijn hun kampement opgeslagen, met vele duizenden. Mozes is hun gids, hun leider en leraar. Als ze een probleem hebben, moeten ze bij hem zijn. Over alle conflicten die in het kamp ontstaan, probeert hij rechtvaardig uitspraak te doen.

In het verhaal krijgt Mozes zijn schoonvader op bezoek. Die kijkt aan hoe het gaat en schudt zijn grijze hoofd. Hij ziet de mensen voor Mozes in de rij staan met al hun kwesties en sores. Hij ziet dat Mozes het niet aan kan en ook dat al die mensen eindeloos moeten wachten. Hij ziet dat Mozes geen hulp vraagt. Hoe groter de stress, hoe onmogelijker het wordt om ‘help’ te roepen. Mozes zegt het ook: het is mijn opdracht, ik moet het doen.

Schoonvader komt dan gelukkig met een organisatie-advies. Er moeten veel mensen worden ingeschakeld. Kleine problemen worden dicht bij huis opgelost, voor lastiger zaken kom je hogerop, als het écht ingewikkeld is moet je naar een derde loket en pas in het uiterste geval wordt Mozes ermee belast. Ik heb uitgerekend dat in het plan van schoonvader Jetro dertien van elke honderd mensen actief worden ingeschakeld: een heel volk komt in beweging.

We leren al vroeg dat we moeten delen: onze rijkdom delen, ons voedsel delen. Mozes moet hier leren om zijn opdracht te delen. Hij moet verantwoordelijkheid delen. Hij mag zijn nood niet voor zichzelf houden: mensen hebben het volste recht om hem te hulp te komen. Ik zeg Mozes, maar ik moet dit natuurlijk ook in mijn eigen oren knopen, en jij, beste lezer, ook!

In de Bijbel kom je een bijzondere kreet tegen: Hosanna! Het klinkt als een vreugdekreet en zo wordt hij ook gebruikt. Maar hij betekent letterlijk: “Red toch!” – dus eigenlijk: Help!! Die kreet verbeeldt hoe bevrijdend het kan zijn om hulp in te roepen. Zolang je het niet doet, is het tobben in je eentje. Wat een opluchting als het hoge woord eruit is! Hiep hiep help!

7 oktober 2018, Piet van Veldhuizen

De uitspraak ‘Het is zaliger te geven dan te ontvangen’ staat in Handelingen 20, 35 en wordt daar geciteerd als een uitspraak van Jezus.

Het verhaal over Mozes en zijn schoonvader staat in Exodus 18

Het plaatje met de hulpvragende schildpad trof ik aan op de website nannybemiddeling.nl – het sprak me aan omdat onze drie Griekse landschildpadden Socrates, Plato en Aristoteles ook weleens op hun rug liggen en dan komen ze zonder hulp niet meer op hun pootjes terecht.

Meer tussen hemel en aarde (35) – Groene kerk: loofhuttenfeest

Het schijnt een trend te zijn: steeds meer christelijke gemeenschappen gaan het joodse loofhuttenfeest meevieren. Tenminste, dat werd me afgelopen week verteld door Cnaan Liphshiz, een in Nederland wonende correspondent van de Jewish Telegraph Agency. Hij wilde er verslag van doen voor zijn Engelstalige joodse achterban, en kwam via-via bij De Ark terecht. Blijkbaar is het toch niet zo makkelijk om een kerk te vinden met een loofhut ernaast: je moet ervoor naar Hendrik-Ido-Ambacht, of all places!

Een zevendaags oogstfeest in september, als de zomer herfstig wordt, midden in die rijkdom van kleur en fruit en noten: ik vind het prachtig. Je bouwt een loofhut, een luchtig optrekje van snoeihout en/of riet waarvan het dak niet regendicht mag zijn. Je verlegt een deel van het leven naar die plek, onder je stevige dak vandaan. Je voelt het weer, leeft met de natuur. Je laat je dragen door de aarde, je laat je zegenen door de hemel. Je zoekt de eenvoud: thee, fruit, goed gezelschap, frisse lucht. Het is een feest van dankbare aandacht voor alles wat ons leven in stand houdt.

Ik vind dat nét iets mooier dan de Hollands-protestantse ‘dankdag voor gewas en arbeid’, die begin november op de kalender staat. Dat is de dag waarop de buit binnen is, waarop de boeren en tuinders de rekening van het seizoen kunnen opmaken. Ooit kwamen ze op die dag met een stapeltje bankbiljetten naar de kerk, want ze wisten dan wat ze konden missen. Maar loofhuttenfeest vier je voordat je weet wat het heeft opgeleverd: je viert het leven in het nu, het leven in afhankelijkheid van zon en wind en regen, van elkanders goedheid en die van God.

Behalve een oogstfeest is Loofhutten (Soekot) ook een feest dat terugdenkt aan de woestijntijd van het oude Israël, de nomadentijd zonder steden en huizen. Het feest roept op om terug te durven naar die kwetsbaarheid en die eenvoud. Een week lang ontspullen en uit de vesting van je dichtgetimmerde leven komen. Even alles loslaten wat in beton gegoten is, en merken hoe heerlijk dat kan zijn!

We hebben een loofhut bij De Ark, waarin we hopelijk een aantal vergaderingen en gesprekskringen en jeugdmeetings kunnen houden. We gaan niet precies het joodse recept volgen. Dat doen we ook niet met Pasen (Pesach) en Pinksteren (Sjavoeot) – die feesten komen van de joodse feestkalender maar hebben in de christelijke traditie een eigen vorm gekregen. Loofhuttenfeest is het derde grote pelgrimsfeest op de oude joodse kalender, maar de christelijke traditie heeft daar (bij mijn weten) nooit iets mee gedaan.

Nu we zoeken naar vergroening, duurzaamheid, milieubewustzijn, nieuw contact met de aarde en de elementen – is dit precies het feest dat we nodig hebben. Drie maanden na Pinksteren, drie maanden voor de Kerst. Hoeveel mooier wil je het hebben?

23 september 2018, Piet van Veldhuizen

Op de foto: Cnaan Liphshiz (links) luncht samen met mij in de loofhut naast De Ark. Zie ook zijn live report op de Facebookpagina van JTA

Meer tussen hemel en aarde (34): Geloven in of geloven dat

‘Geloof jij?’
‘Ik geloof van wel..’
‘Niet te geloven!’

Alles draait in een religieuze gemeenschap om geloof. Maar wat doen mensen als ze geloven? Het is eigenlijk een nogal onhandig woord: geloven. Het zorgt voor veel spraakverwarring, binnen en buiten de kerk. Nu we in De Ark weer een nieuw activiteitenseizoen opstarten, is het misschien wel nuttig om bij dat woord een paar opmerkingen te maken.

Het helpt om eerst maar eens twee manieren uit elkaar te houden waarop je het woord ‘geloven’ kunt gebruiken: geloven in en geloven dat.

Je kunt zeggen: ‘Ik geloof dat God bestaat.’ Dan bedoel je dat je denkt dat God bestaat, of dat je daarvan overtuigd bent. Dat hoeft geen enkel gevolg te hebben voor je gedrag. Je kunt geloven dat de aarde plat is en toch gewoon naar Australië vliegen. Geloven dat gaat over overtuigingen, over de theorie die je aanhangt. Geloven dat iets zo-of-zo is kun je doen met je hoofd. En anderen kunnen dan vinden dat je niet goed bij je hoofd bent.

Je kunt ook zeggen: ‘Ik geloof in God’. Dan bedoel je niet dat je een theorie over God hebt, maar dat je leeft in verbondenheid met God. Als je zegt dat je gelooft in je kind, bedoel je niet dat je ervan overtuigd bent dat je kind bestaat. Je bedoelt dan dat je je kind krediet geeft, dat je er fiducie in hebt. ‘Ze haalt misschien geen beste cijfers op school, maar ik geloof in haar!’ – dan bedoel je dat je haar niet laat vallen: ze kan op je rekenen en jij blijft op haar rekenen. Geloven in gaat over verbondenheid, trouw, je met hart en handen aan iemand of iets verbinden. Wie zegt ‘Ik geloof nog steeds in de democratie’, maar bij de verkiezingen thuisblijft, die heeft iets uit te leggen. Wie zegt dat hij in Jezus gelooft maar er niet naar leeft, heeft ook iets uit te leggen.

Dus: geloven dat.. gaat over een overtuiging (theorie), geloven in.. gaat over een levenswijze (praktijk). En een geloofsgemeenschap moet het van dat laatste hebben. Niet dat je precies weet hoe het allemaal zit, maar dat je je verbindt aan God en zijn wereld. Als je gelooft in een God van liefde, laat je het betonen van die liefde niet lekker aan God over (want die was daar toch van..) maar belichaam je dat in je eigen doen en laten, in je hele manier van zijn.

Soms hoor ik zeggen: geloven doe je als je geen bewijs hebt. Je kunt het niet zeker weten, dus moet je het maar geloven. Dat gaat ook over geloven dat. Geloof is dan iets tussen twijfel en zekerheid in: je denkt van wel, maar wie weet klopt het niet. Ik denk dat er bij geloven dat.. altijd ruimte voor twijfel moet blijven. Ik heb zelf natuurlijk mijn eigen ideeën over God en de wereld – vanuit de Bijbel, vanuit mijn levenservaring, en ik blijf altijd studeren en zoeken naar hoe het zit. En toch denk ik dat het allemaal nog heel anders kan blijken te zijn dan ik nu denk. Als ik ooit vanuit dit leven het gordijn passeer naar de wijdere werkelijkheid, zal ik tot mijn verrassing ontdekken dat ik geen idee had van hoe het echt was..

Twijfelen hoort bij geloven dat zoals aarzelen hoort bij geloven in. Gelovigen die nooit twijfelen of aarzelen, maken de wereld meestal niet veiliger en liefdevoller. Gelovigen die met hart en ziel vorm geven aan liefdevolle verbondenheid – daar kunnen we er nog heel veel van gebruiken, welke theorie over God ze er ook op na houden.

8 september 2018, Piet van Veldhuizen

De gekleurde afbeelding toont een olieverfschilderij van José de Ribera uit 1652 getiteld ‘Jezus en de schriftgeleerden’ . De cartoon is te vinden op de website van de tekenaar www.hargrijs.nl.

Meer tussen hemel en aarde (33): God negen punt nul

Mijn vader was een kind in de groei in de hongerwinter van 1944/45. Toen hij ging dementeren, alweer jaren geleden, werd eten steeds belangrijker en verloor al het andere aan betekenis. Het hoort bij de overlevingsdrift van onze vroegste levensfase, waarop we bij dementie weer terugvallen. Ziedaar Mens 1.0 die diep in ons allen schuilgaat: de zuigeling, voor wie het gaat om eten, drinken, een droog en warm plekje en veel slaap.

Over die laag ligt Mens 2.0: de peuter die contact legt met de omgeving, met grote ogen en veel kiekeboe. Uit die laag heb ik de verwondering overgehouden en het gevoel voor magie en ritueel, maar ook dat rare idee dat de bliksem het misschien wel op mij heeft gemunt. Vervolgens komt Mens 3.0, de boze kleuter. Die stampt dwars door alle bezweringen heen om zijn dikke ik door te zetten en ‘nee’ te roepen of ‘kan ik zelf wel’. Dat is heel belangrijk om groot en zelfstandig te worden, en soms heb je de energie van deze laag weer nodig als je op je strepen moet gaan staan. Maar wat er gebeurt als je in deze laag blijft hangen, zie je dezer dagen in het Amerikaanse presidentschap..

Daarna komt Mens 4.0, de beginnende scholier voor wie de juf altijd gelijk heeft. Spelregels, gezag, discipline, loyaliteit: het is de laag van de klassieke opvoeding en de traditionele kerk: het moet want het staat er en het hoort zo! Waardevol omdat het je helpt om deelnemer te zijn in een groter geheel, maar het is wel te wensen dat je van hieruit verder ontwikkelt. Dat gaat dan via Mens 5.0, waarbij je kunt denken aan het puberen maar ook aan de kritische vragen van de wetenschap: niet zomaar geloven op gezag, je eigen vragen stellen, kritisch zijn, zelf op onderzoek uit gaan.

En zo gaat het door, fase na fase, en elke fase legt een laag waarop de volgende voortbouwt. Om en om zijn het ik-fasen (waarin je het zelf uitzoekt) en wij-fasen (waarin je sterk aan de anderen hangt). Zo heeft de Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog Ken Wilber alweer jaren geleden ons leven in beeld gebracht.

Drie Duitse predikanten die ook psychotherapeut zijn, hebben op basis van dit plaatje het boek God 9.0 geschreven. Ze laten zien dat met elke nieuwe fase in ons leven ook een nieuw Godsbeeld en een nieuwe kwaliteit van geloven ontstaat. Ze laten ook zien dat ‘de kerk’ als instituut wel erg geneigd is om ons in fase 4.0 vast te houden: de schoolse fase waar we luisteren en gehoorzaam zijn en waar lastige vragen maar moeten wachten tot later. En ze laten zien dat het nodig kan zijn om uit de kerk weg te gaan, als je ruimte nodig hebt voor je eigen zoektocht omdat je in een ik-fase terecht bent gekomen. Als je wil dat mensen ooit weer bij het ‘wij’ terecht komen, sta ze dan toe om dat ik-pad te wandelen, want aan het einde ligt een nieuw ‘wij’.

Voor mijn werk in de kerk en voor mijn eigen geloofsweg heb ik veel aan dit boek gehad. Daarom heb ik het vorig jaar in het Nederlands vertaald. Een studiegroep in De Ark heeft me daarbij bijzonder gestimuleerd, zodat het nu voelt als ‘ons boek’. De auteurs hebben de Nederlandse versie in eigen beheer uitgegeven en nu ben ik zomaar opeens (maar met groot plezier) hun distributeur in ons land.

Het is een uitdagend boek. Misschien ga je het griezelig vinden, als het in geloofszaken verder gaat dan waar jij je vertrouwd bij voelt. Dan moet je je vrij voelen om het boek weg te leggen. Maar het wekt ook vertrouwen: het laat zien dat de Bijbel en de grote mystieke tradities elke fase serieus nemen. Wees maar gewoon waar je bent in jouw eigen spirituele groeiproces. Laat je niet opjutten of bang maken of afremmen of opsluiten. Maar blijf wel groeien, ruimer worden, als drager van het licht van God.

31 augustus 2018, Piet van Veldhuizen

Het boek God 9.0 is door de auteurs in eigen beheer uitgegeven en is op dit moment alleen te bestellen via het bestelformulier op mijn website (of bij mij persoonlijk).

De oorspronkelijke Duitse editie is verschenen bij Gütersloher Verlagshaus, de Engelse editie is alleen bij de auteurs zelf verkrijgbaar via hun website. Er is ook een editie in het Lets, en er wordt gewerkt aan een Russische versie.

Meer tussen hemel en aarde (32): uit je vel barsten

Vandaag nemen in De Ark acht kinderen afscheid van de kinderkerk. Ze zitten komende week nog op de basisschool, maar na de zomer gaan ze naar de brugklas. Nog één week zijn ze de grootsten op het schoolplein. Op hun nieuwe school beginnen ze als de kleintjes.

Het doet me denken aan hoe een kreeft groeit. Het harde vel wordt van lieverlee te krap en dan komt er een moment dat hij (m/v) eruit barst. Het nieuwe velletje heeft zich al onder het oude pantser gevormd, elastisch en ruim. Heerlijk, hij kan weer een poosje vooruit. Tijdens het vervellen moet hij zich schuil houden want o, wat is hij dan kwetsbaar. Het nieuwe vel moet eerst weer hard worden. De kreeft gaat steeds beter in zijn nieuwe vel zitten – totdat hij ook daar weer uit barst. Om de zoveel tijd is het dus crisis, maar je kunt er ver mee komen: begin dit jaar stierf een 80-jarige kreeft in Harderwijk. Niet van ouderdom maar van de stress nadat hij uit de kerstkeuken was gered.

Het is een mooi beeld van onze eigen ontwikkeling. Om rustig te groeien en goed in je vel te zitten (fysiek maar ook intellectueel en spiritueel) heb je baat bij een stabiele omgeving. Maar daar kun je ook in vast komen te zitten. Voor echte verandering, voor een groeisprong naar iets nieuws, moet je uit dat stabiele vel barsten. Naar een andere school, naar ander werk, weg uit je vertrouwde omgeving of uit een warm nest. Dat is doodeng. Je zou het liefst net als die kreeft onder een grote steen wegkruipen. Want tijdens die sprong naar het nieuwe ben je o zo kwetsbaar. Maar zonder die sprong slibt je leven dicht, dus je moet wel.

Je doet zo’n groeisprong bijna altijd alleen. De andere kreeften snappen niet waar je moeilijk over doet: het zit toch heerlijk, dat harnas van ons? Wat zeur je nou over te krap en te benauwd? Denk je soms dat je verder bent dan wij allemaal?

We lezen vandaag in de kerk een verhaal over Jezus in zijn eigen stad Nazaret. Overal in de omgeving wordt over hem gepraat, de mensen hangen aan zijn lippen, zieken willen door hem aangeraakt worden. Maar in Nazaret zeggen ze: hij is toch gewoon een van ons? Waarom moet hij zo nodig anders doen dan wij? Wat denkt hij wel? Het oordeel van de eigen groep kan soms zo meedogenloos zijn. Het wil je klein houden, terwijl je nu eenmaal uit dat oude pantser bent gebarsten. Je moet er soms de eenzaamheid voor opzoeken: even weg uit de kerk, uit je familiekring, uit die club die al te close is. Je moet je nieuwe vel eerst laten uitharden, wennen aan je nieuwe vorm.

De zomervakantie begint. Kinderen worden middelbare scholieren. Studenten worden jonge ondernemers of mensen met een beroep. Maar daar stopt het niet. Elk volgende vel van de kreeft staat ook weer een keer op springen. Dat gaat ons hele leven door – en wat wij de dood noemen, zou dat niet het moment kunnen zijn waarop we uit de harde huid van het aardse leven barsten om in andere kaders een nieuwe bestaansvorm te vinden?

Hoe dan ook: ik wens veel mensen toe dat ze in deze vakantie die grote steen vinden waaronder ze uit hun vel kunnen barsten en in hun nieuwe vorm kunnen groeien.

8 juli 2018, Piet van Veldhuizen

De foto van het babykreeftje, ongeveer 2 cm klein, nam ik in februari 2016 in de National Lobster Hatchery in Padstow, Cornwall. Om de kreeftenstand op peil te houden, worden daar kreeftjes in een beschermde omgeving opgekweekt tot ze vaak genoeg uit hun vel gesprongen zijn, dus groot genoeg zijn geworden, om met goede overlevingskansen de zee in te gaan. Duikers zetten de jonge kreeften dan op gunstige plekken onder een steen. 

Over de tachtigjarige kreeft in Harderwijk las ik hier.

Meer tussen hemel en aarde (31): ziekenzegening

Vandaag lezen we in De Ark (net als in veel andere kerken) een evangelieverhaal over de helende kracht van Jezus. Een vader smeekt hem om zijn zieke kind te komen aanraken, maar onderweg worden ze opgehouden. Een wanhopige vrouw met een chronische kwaal probeert ongemerkt het gewaad van Jezus aan te raken, maar Jezus voelt hoe zijn energie als het ware afgetapt wordt en spreekt de vrouw aan. Intussen glijdt het kind weg in de dood, maar Jezus haalt het terug, ook weer door aanraking.

Helende handen, genezende kracht: het komt voor. In alle religieuze tradities, dus niet alleen onder volgelingen van Jezus. Ook buiten het religieuze vind je mensen met bijzondere helende gaven. Het werkt niet voor iedereen. Het is niet een machine waar je een muntje in gooit en hopla. En er zijn soms ook bedenkelijke bijverschijnselen: bijvoorbeeld dat de genezer er macht aan ontleent, van die macht geniet en er misbruik van maakt. Of dat de genezer (of zijn/haar organisatie) vindt dat wie genezen is, verplicht is om deel van de beweging te worden, en de opvattingen of het geloof van de beweging over te nemen. Dan word je bevrijd van een kwaal maar ook weer gevangen genomen, tenzij je die beweging ook echt als bevrijdend ervaart.

Diverse mensen uit onze gemeenschap hebben in de afgelopen jaren ervaringen opgedaan met gebedsgenezers: ze zijn naar genezingsdiensten geweest voor zichzelf of voor anderen. Soms zijn het goede ervaringen: een tumor die er volgens de foto’s was, is na de handoplegging weg – echt, het gebeurt. Maar lang niet altijd. Het is in mijn ogen verwerpelijk als de organisatie rond een genezer dan stelt dat het uitblijven van genezing ligt aan het tekort aan geloof bij de zieke. Heel de sfeer van succes, scoren en slagen rond zoiets teers als ziekte en heling vind ik een ziek en typisch westers-modern ding. Zo ook de nadruk, bij diverse genezers, op het offer dat je vooraf hoort te brengen in de vorm van een financiële donatie. In de Bijbel zegt Petrus tegen iemand die economisch perspectief ziet in zijn genezende kracht: ‘Loop naar de hel met je geld!’.

Helende gaven bestaan. Elke moeder, als ze zelf rust in haar lijf heeft tenminste, kan met haar hand de buikkramp van haar kind verlichten. Dat is helende kracht in het klein, overdracht van vrede en zegen, door aanraking. Sommige mensen hebben het in veel sterkere mate, en de kunst is om daar zo mee om te gaan dat het niet corrumpeert. Het is in mijn ogen een natuurgave, een Godsgeschenk dat bij de gewone werkelijkheid hoort. Vandaar ook dat het niet aan een bepaald geloof gebonden is, hoewel het voor ons christenen natuurlijk sterk in verband met Jezus staat. Ik denk dat de overdracht van vrede en zegen het zelfgenezend vermogen van de zieke een kickstart kan geven – als de zieke er innerlijk aan toe is om zulke hulp binnen te laten.

In De Ark hebben we onlangs besloten om een vorm van ziekenzegening aan te bieden. Mensen kunnen erom vragen bij predikant of kerkenraad. Dan vindt er bij de zieke aan huis een klein ritueel plaats van handoplegging en gebed. Belangrijk is dat er geen ruchtbaarheid aan wordt gegeven, want ik zie het al voor me, al die nieuwsgierige omstanders die na een paar uur al gaan bellen: én, hielp het? Voel je verschil? In ons protocol staat zelfs dat degene die de handoplegging doet, de eerste twee weken niet uit zichzelf navraag mag doen. Elke onfrisse dynamiek moet buiten de deur gehouden worden. Jezus zei ook altijd: bazuin het niet rond! Het is jouw leven, en voor je het weet ben je publiek bezit. Dat geldt voor de genezer én de genezene. En als je dat juist prettig vindt, is dat misschien waar je als eerste van genezen moet worden om een vrij mens te zijn.

1 juli 2018, Piet van Veldhuizen

-Het plaatje bij deze column is een oude afbeelding van het betreffende Bijbelverhaal in de catacombe van Marcellinus en Petrus in Rome.

-De Evangelielezing van deze zondag staat in Marcus 5, de verzen 22-43.

-De uitspraak van Petrus over geld vind je in Handelingen 8, 20.

-Het protocol voor ziekenzegening hebben we in De Ark niet zelf verzonnen. Er zijn meer kerken met deze materie bezig en we hebben waardevolle suggesties van elders in ons protocol verwerkt. 

 

Meer tussen hemel en aarde (30): Communiceren

Als kind zat ik tijdens de lange kerkdiensten in onze streng-protestantse kerk dikwijls te bladeren in mijn psalmboekje. Daar stonden behalve liederen ook onderwijzingen in, lange teksten die werden voorgelezen bij diverse liturgische gelegenheden. Eén van de zinnetjes die me steeds weer fascineerden, was in de aanwijzingen voor het vieren van het heilig avondmaal – dat is de rituele maaltijd waarin we herbeleven hoe Christus in brood en wijn zichzelf uitdeelt. Ik las daar: “Terwijl men communiceert, zal men stichtelijk zingen”. Communiceren, daarmee werd het uitdelen en ontvangen van brood en wijn bedoeld: voor iedere deelnemer een stukje brood en een slokje uit de grote beker. Ik de rooms-katholieke traditie heet het ook nog steeds ‘communie’.

Communiceren: letterlijk betekent dat ‘gemeenschap hebben’ of ‘gemeenschappelijkheid beoefenen’. Door allemaal een stukje van dat ene brood tot je te nemen en uit die ene beker te drinken, verbeeld je dat je bij elkaar hoort en één bent. Vandaag vieren we ook in De Ark weer het heilig avondmaal en ik ben daar altijd weer van onder de indruk: niet dat we als club van gelijkgezinden onze eenheid vieren, maar juist dat mensen die onderling zó verschillend zijn (in religieuze overtuigingen, politieke oriëntatie, maatschappelijke status, levenskeuzes) samen in de rij lopen om zich met dat ene brood te laten voeden en die beker te delen.

Maar communiceren betekent hier ook nog iets anders: eten en drinken is, altijd, het binnenlaten van het andere. Je laat je voeden door wat anders is dan jij. Symbolisch laat je je in het avondmaalsritueel voeden door de Christushouding, een ruimhartige en vergevende liefde die je van nature vaak niet eigen is, maar die je wel binnenlaat om deel van je natuur te worden. Maar ook heel letterlijk: de cellen van je lichaam worden doorlopend vervangen door nieuwe, en die laat je opbouwen uit wat je eet, uit wat niet ‘jij’ is. Het andere gaat deel uitmaken van jou, en de Andere gaat deel uitmaken van je wezen.

Door te eten en adem te halen vermengen we voortdurend al het andere met onszelf, communiceren we met alles wat leeft, beoefenen we een diepe eenheid met wat ons omgeeft. Zo bezien bestaat er geen isolement, en zelf vind ik dat altijd weer een troostende en vrolijke gedachte. Alles loopt in elkaar over en ik ben daar deel van, en dat alles wordt (zo geloof ik) bezield door de levensenergie van God.

We communiceren graag met mensen die op ons lijken, met wat hetzelfde is als wij, maar levenscommunicatie is nu juist het toelaten van wat anders is. Vandaag lezen we daarom uit de Bijbel teksten waarin dieren en dingen worden opgesomd, teksten die uitnodigen om goed om je heen te kijken, verschillen te zien, het andere te leren kennen. In consumptieland maken we datgene waarmee we ons voeden, liefst onherkenbaar: visstick, kroket, groenteburger. Het goed kijken en goed luisteren laten we aan de industrie over, en we vinden het prima dat de ingrediëntenlijstjes op de verpakkingen onleesbaar klein gedrukt zijn. We willen vaak niet weten met wat en wie we communiceren. Jammer, want daarmee doe je jezelf en je medeschepselen tekort. Het scheelt ook zoveel plezier!

24 juli 2018, Piet van Veldhuizen

De Bijbelteksten waarnaar ik in de laatste alinea verwijs zijn Leviticus 11 : 1-23 en 1 Korintiërs 15 : 35-44a.

Meer tussen hemel en aarde (29): Ingewikkeld

Bij het woord ‘ingewikkeld’ moet ik altijd denken aan de letterlijke betekenis. Daarvoor moet je dan wel de klemtoon op de eerste lettergreep leggen. Het kindje Jezus, dát is pas ingewikkeld: in doeken. Als het zijn handjes en voetjes wil bewegen, moet het eerst ontwikkeld worden. Pas als het hele doekengedoe is afgewikkeld, kan het zich verroeren.

Dus als er over iets gezegd wordt dat het ingewikkeld is, is het tijd voor ontwikkeling. En je weet, als je een kluwen wilt ont-wikkelen, moet je eerst heel goed kijken waar de losse eindjes zitten. En dan geen ruk geven, maar heel voorzichtig en beetje voor beetje afpellen. Dat is ontwikkeling. Deze week zie weer ik overal vlaggen uithangen met een schooltas erbij. In die huizen begint een volgende fase van de ontwikkeling van een jongere. Of van de ontplooiing, dat is ook zo’n mooi woord.

Want zo recht-toe-recht-aan werkt het leven natuurlijk niet: als het afwikkelen van een touwtje tot je van de kluwen een lange rechte draad hebt gemaakt. Ontplooiing is een levensechter begrip: kijk hoe een blad uit een knop komt, of een vlindervleugel uit de pop. Eerst is het helemaal ingevouwen en dan klapt het langzaam uit, allemaal plooien die rechtgetrokken worden, ongelooflijk.

Ter voorbereiding op de preek van deze zondag heb ik tientallen timelapse-filmpjes zitten bekijken, versnelde opnamen van de ont-wikkeling en ont-plooiing van allerlei planten en bloemen en insecten. Want ik moet iets zeggen bij de woorden van Jezus over het piepkleine mosterdzaad dat een enorme struik wordt – als beeld voor het geloof, voor God in ons.

Als een zaadje ontkiemt, komt er zo’n ielig wit scheutje uit dat op zoek gaat naar licht en lucht, alleen maar recht omhoog, achter zijn eigen bleke neusje aan. Maar dan komt er een moment dat die drang omhoog even inhoudt en dan vertakt en ontplooit er iets: de eerste blaadjes die als zonnepaneeltjes worden uitgeklapt. Het deed me denken aan onze neiging om altijd maar vooruit te willen, naar hoger en naar meer, achter onze neus aan – maar dan krijg je nooit vleugels want die groeien niet voor je neus, die ontplooien zich achter je rug. Groei is niet altijd dat je verder komt in de richting waarin je nu eenmaal loopt: het is ook ontvouwing van mogelijkheden waaraan je nooit had gedacht, waarvoor je moet stilstaan en voorzichtig om moet kijken wat je nu toch overkomt.

En heel iets anders: zo’n plantje dat groeit, zuigt van alles uit z’n omgeving op. Het groeiplan zat in het zaadje, maar de materie komt uit aarde en water. Met ons is dat natuurlijk ook zo: als je groeit en als je cellen zich verversen, neem je grondstoffen uit je omgeving (voedsel) in jezelf op. Je bent aarde en water, mensvormig georganiseerd.

Maar dan nog iets: figuurlijk wordt er van alles in je gezaaid: geloof en hoop en liefde en haat en nijd en wat niet al. Ook alles wat in je gezaaid wordt, kan ontkiemen en groeien, en ook dan neemt het van alles in zich op om groot te worden. Maar daar kun je wel een beetje in sturen. Je kunt de onvrede in jezelf voeden, maar ook de vrede of het vertrouwen. Eén en hetzelfde nieuwsbericht voedt bij de een de afgunst en bij de ander de compassie. De vraag is dus maar hoe je zelf met je innerlijke tuintje omgaat.

Over de struik die uit het mosterdzaadje groeit zegt Jezus dat de vogels van de hemel erin kunnen nestelen. Het wordt groot, niet om al het andere te verdringen, maar om ruimte te bieden aan wezens die licht en luchtig en gevleugeld zijn. Zo wordt het een ontmoetingsplek van hemel en aarde, een zingende speeltuin. Als je jezelf ontwikkelt en ontplooit, hou dan dat perspectief in gedachten!

17 juni 2018, Piet van Veldhuizen

 

Voor de timelapse-filmpjes moet je op YouTube vooral zoeken naar de video’s van Neil Bromhall. Bij dat ‘ielige witte scheutje’ dacht ik vooralaan zijn opname van de eikenkiem.

De woorden van Jezus over het mosterdzaad vind je in het Evangelie volgens Marcus 4, 30-32. Welk zaadje Jezus in gedachten had, weten we niet, want mosterd zoals wij het kennen is wel heel fijn zaad, maar het wordt geen grote boom.

Meer tussen hemel en aarde (28): Laat maar waaien

Pinksteren is een feest van wind en vuur. Het Bijbelse verhaal zegt dat er stormgedruis klonk en dat op alle hoofden vlammen werden gezien. Maar de wind woei de vlammen niet uit en het vuur verzengde de haren niet. Niets ging kapot, alles werd heel. Zeven weken na Pasen kwamen de leerlingen van Jezus tot leven. Na zijn dood en opstanding waren ze als verlamd, ik stel het me voor als een depressieve staat – waarvan na zevenmaal zeven dagen de maat vol is. De mist trekt op, het huis waait open, het vuur van de bezieling laait op. Pinksterfeest.

Het spannende van wind en vuur is dat het geen dingen zijn. Het zijn processen, bewegingen, overgangen. Wind is een stroom, vuur is een proces waarin materie van de ene staat in de andere overgaat. Je kunt wind en vuur niet in een potje stoppen, maar beide zijn ó zo werkelijk en waar. In de storm staan en bij een vuur zitten: dat zijn momenten waarop je ervaart dat je leeft.

In beide oude talen van de Bijbel is het woord dat voor de heilige Geest van God gebruikt wordt, tegelijk het woord voor wind en adem. Roeach in het Hebreeuws, pneuma in het Grieks. Het is wat stroomt, wat in en uit gaat, wat door je haren speelt en je longen vult. Het is de tocht die de gordijnen doet opwaaien. Frisse lucht, geuren van elders. In de kerk hoort het te tochten, vind ik. Anders wordt het al gauw verstikkend omdat we onze eigen oude lucht rondpompen.

Vorig jaar zag ik in een Franse kerk een aandoenlijk bordje waarin het eeuwige dilemma van de kerk wordt samengevat (zie de foto). Er staat op: “Voor het welzijn van het orgel graag voorkomen dat het tocht in de kerk. Met dank, de organist.” Ik denk dat ik de organist wel begrijp: een orgel is een gevoelig instrument, stemmen is een tijdrovende klus, dus hoe constanter de atmosfeer in de kerk, hoe beter het is voor het orgel. Maar aan de andere kant: het orgel is een kast vol fluiten die alleen werken als je er lucht doorheen blaast. Orgel spelen is lucht laten stromen. Als het niet tocht in de pijpen, blijft het stil. Zoals het ook stil blijft in een kerk die ramen en deuren dicht houdt. Ik zie het voor me: ruzie tussen de organist en de welkomstcommissie. Altijd die vervloekte toeristen, roept de organist. Jij met je stomme orgel, roepen de mensen van de open kerk. Mag het raam dicht, roepen de oude mensen. Kan de deur open, roepen de jongeren. Hopeloos? Tenzij je het ziet als de levensbeweging zelf. In- en uitademing, slapen en waken, altijd heen en weer.

De ideale toestand bestaat niet, want een toestand is een momentopname en de Geest is beweging, net als het leven. Pinksteren nodigt uit tot deelname aan de beweging. In de kerk willen we vaak van alles vasthouden: de jeugd, de waarheid, de traditie. Maar zelfs ‘traditie’ betekent ‘doorgeven’ dus ook dat is beweging. In de stroom stappen, meebewegen, uitwaaien, bezield raken: dat is Pinksteren.

20 mei 2018, Piet van Veldhuizen

Het Pinksterverhaal is in de Bijbel te vinden in hoofdstuk 2 van het boek Handelingen. De foto is genomen op 5 augustus 2017 in de Église Sainte-Croix in St. Gilles-Croix-de-Vie.

 

 

 

Meer tussen hemel en aarde (27): Het hemels baldakijn

In De Ark hebben we deze en volgende week een bijzonder kunstwerk staan, middenin de kerkzaal. Zes geschilde takken steken omhoog, twee aan twee in het gangpad. Aan de twee voorste hangen kleurige schilderingen. Aan de twee middelste hangen gaasdunne vaandels of stola’s met ingeborduurde ikoon-achtige beeltenissen. De twee achterste worden bekroond met een soort korven van wilgentenen en zijn met elkaar verbonden met een kleurig bestempelde doek. Je kunt het geheel zien als een poort, een doorgang, of als een gebouwtje in het gebouw. Het markeert ruimte, op een kwetsbare en tegelijk uitbundige manier.

Het kunstwerk is gemaakt door Agnes de Kok en Cora de Kok, zussen met elk een eigen kunstenaarspraktijk, respectievelijk in Schalkwijk en Hardinxveld. Museumboerderij De Koperen Knop is hun geboortehuis. Aarde, natuur, ambacht, eenvoud met aandacht – en de spiritualiteit die daaruit kan opbloeien: het komt allemaal samen in dit kunstwerk. Je moet erin rondlopen, ernaar staren, niet direct willen weten wat en hoe.

Het doet me sterk denken aan de titel van een boek: ‘Het hemels baldakijn’. Dat is de Nederlandse vertaling van The Sacred Canopy, een baanbrekende studie over religie en secularisatie uit 1967, door de socioloog Peter L. Berger. Hij zegt dat mensen met hun gezamenlijke geloof een veilige ruimte scheppen, zo goed en zo kwaad als het gaat. Een baldakijn, een kwetsbaar optrekje in een kaal bestaan: je kunt erom lachen, je kunt het neerhalen, maar dan heb je niks meer, geen gezamenlijke ruimte voor gedeelde waarden.

Ik vind ons kerkgebouw De Ark al zo heerlijk simpel: een plastic huis zonder poeha, maar met prachtig licht, zacht en diffuus. Ik noem het graag een afdak, een plek voor geloof en aandacht. Dat is wat een bedehuis moet zijn: geen bunker, geen fort, geen bastion van eigen gelijk, maar een afdak. Je moet er kunnen schuilen maar je mag er nooit opgesloten raken.

Maar nu staat er iets middenin dat gebouw dat zo aandoenlijk kwetsbaar is en tegelijk zo aanstekelijk levendig van kleur en vorm. Dit is hoe we ons uitstrekken naar God: als een kind dat op moederdag iets moois omhoog houdt, zelfgemaakt, zelf gekleurd.

Volgende week is het Pinksteren. Dan gaat het over de geestkracht van God. Die slaat al dat menselijke pogen niet plat en blaast het niet weg – dat is wat wij mensen doen, met neerbuigende kritiek en cynisme. De geestkracht van God koestert en geeft moed, het is moederlijke kracht die graag ziet groeien en bloeien wat kwetsbaar en oprecht is. Heerlijk toch?

13 mei 2018, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (26): binnenzitten, buitenspelen

“Op zondag mag ik graag verkeren in het heiligdom van ongekorven hout”. De eerste keer dat iemand dat tegen me zei, had ik geen idee wat daarmee werd bedoeld – maar mettertijd ben ik de uitdrukking veel vaker tegengekomen. Ongekorven hout, dat zijn bomen die nog in het bos staan. Soms kun je beter bidden in het bos of uitwaaien aan het water dan in de kerk de dienst uitzitten – dat is de strekking. Soms moet je gewoon naar buiten, en er zijn momenten waarop je de kerk kunt beleven als een beklemmende binnenwereld.

Buiten en binnen: het zijn relatieve begrippen. Je kunt buiten je huis zijn en nog steeds binnen je dorp, buiten het dorp en nog altijd binnen de codes van de club – of je kunt binnen de muren zijn en een buitenstaander blijven, binnen de familie en toch buitengesloten. Wat zou het fijn zijn als je in de kerk (en in de samenleving) altijd binnen en buiten tegelijk kon zijn: geaccepteerd maar niet opgesloten. Met de haren in de wind maar niet in de kou gezet.

Oude kerkgebouwen met een houten dak hadden in vroeger eeuwen dikwijls een blauw plafond. Dat was een symbool van de wijde ruimte waarin je terecht komt als je een kerk binnenstapt: daar gelden immers (als het goed is) niet de codes en mores van het dorp – daar ben je onder Gods hemel. In het plafond van de koepelkerk in het West-Brabantse Willemstad zie je in het midden zelfs een zon die door een ring van wolken schijnt. Uit die zon reikt de kroonluchter neer, als het afgeleide licht uit de bron van alle licht. De kerk is bedoeld om de binnenwereld van een kleine samenleving open te breken – dus wie de kerk inloopt, stapt uit die krappe samenleving vandaan naar buiten. In de praktijk is dat helaas maar al te vaak vies tegengevallen, maar het beeld blijft me aanspreken.

Komende donderdag is het Hemelvaartsdag. Traditioneel is dat een buitendag. In twee van de vier evangelieboeken in de Bijbel brengt Jezus zijn leerlingen naar buiten voor dit laatste afscheid. In het éne verhaal net buiten Jeruzalem, in het andere speelt het zich af in Galilea, drie dagreizen naar het noorden. Het is een bevrijdingsverhaal: de leerlingen van Jezus moeten ophouden met kniezen over hun eigen falen, over de smadelijke dood van hun leermeester. Ze moeten ook niet langer wachten op zijn verschijningen als opgestane – ze moeten zélf gaan leven en zijn bevrijde bestaan gaan belichamen. Met alle risico dat ze falen of zich vergalopperen of het onderling niet eens kunnen  worden: durven leven is fouten durven maken.

Hemelvaart: het is een Christusverschijning, want de aardse Jezus was al weg. Het is een verschijning die ruimte maakt, die zegt: nu is het jullie beurt. Hop, naar buiten. Vandaar dat er met Hemelvaart in diverse tradities buiten-kerkdiensten zijn. Wij gaan op deze donderdag eerst dauwtrappen en dan na een buiten-ontbijt een korte dienst houden in het beeldige kerkje van Kijfhoek: ook een soort buiten, want niet tussen de kunststoffen kerkmuren van onze eigen Ark. Sinds Noach hoort het immers ook bij de ark dat je er ook een keer uit moet, naar buiten, om te gaan léven.

6 mei 2018, Piet van Veldhuizen

Hemelvaartsdag, donderdag 10 mei: ochtendwandeling om 7:00 uur vanaf het kerkje van Kijfhoek in het buitengebied van Zwijndrecht. Ontbijt rondom het kerkje vanaf circa 8:15 uur (eten zelf meebrengen, voor thee/koffie wordt gezorgd). Kerkdienst aldaar om 9:00 uur.

De foto hierboven is op zaterdag 5 mei 2018 genomen in de Koepelkerk te Willemstad.

Meer tussen hemel en aarde (25): Aandachtsveld

Vandaag is de vierde Paaszondag, die ook wel ‘Zondag van de Goede Herder’ wordt genoemd. Omdat de klassieke zondagslezingen uit de Bijbel over dat oeroude beeld gaan: van de relatie tussen schapen en hun herder en tussen schapen onderling. Kuddementaliteit – dat is in ons spraakgebruik niet zo’n positief begrip, omdat we dan denken aan domweg meehobbelen en meemekkeren met de goegemeente. Maar een echte kudde is een kostbare samenlevingsvorm met een zinnige rolverdeling waarin geen kuddedier zonder verantwoordelijkheid is. En een echte herder, zoals Huug Hagoort uit Ottoland, werkt met de kracht van dat sociale netwerk.

Vandaag hebben we in De Ark een paar lammeren uit de kudde van Huug te gast. Dat is leuk voor de kerkgangers en vooral voor de kinderen. Maar het is meer dan dat. Tweemaal eerder hebben we lammeren in een kerkdienst gehad, en voor mijzelf, als ik vlakbij die dieren sta en mijn verhaal houd, is het vooral een oefening in aandachtig samenzijn. Want net als heel jonge kinderen (zoals de dopelingen van vorige week) zijn lammeren ó zo gevoelig voor concentratie en sfeer. Als de aandacht in de kerk alle kanten op vliegt, zijn lammeren en babies onrustig. Als de aandacht gebundeld en verstild is, worden ze er stil en rustig van.

Zo gaat het ook in deze vijfentwintigste column weer over aandachtige waarneming: in mijn beleving de religieuze levenshouding bij uitstek. De lammeren zijn in de dienst een graadmeter van onze eigen concentratie, onze eigen aandachtige verstilling. Ze zijn ‘ingetuned’ op het gemeenschappelijke aandachtsveld. In de natuurkunde kennen we diverse soorten ‘velden’: elektrische en magnetische velden, gravitatievelden – je kunt ze niet zien maar je kunt ze wel meten. De sfeer in een groep, de intensiteit van aandacht, kun je ook ervaren als een veld. Met je ogen dicht kun je de rust of de onrust registreren. Dieren en babies zijn daar gevoeliger voor dan de meesten van ons met al dat eelt op onze ziel.

Een van de boeken waarvan ik het allermeest heb genoten, heeft als titel Honden weten wanneer hun baas thuiskomt, van de Engelse bioloog Rupert Sheldrake. Het is een onderzoek naar de telepathische gevoeligheid van huisdieren. Toen ik het voor het eerst las, was het één feest van herkenning. Het beschrijft de bijzondere fijngevoeligheid van dieren, die niet alleen neerkomt op een goede neus of gespitste oren, maar vooral op intunen op een gemeenschappelijk veld van aandacht. Het deed me denken aan de poes die we ooit hadden, die me kwam troosten als ik me niet lekker voelde: dan had ze plotseling aandacht voor me. Of aan dat bijzondere voorjaar twintig jaar geleden, toen een familie koolmeesjes me hielp om een periode door te komen waarin ik erg terneergeslagen was – zie de link naar het verhaal hieronder.

Vorige week ging het over Genesis 2, het Bijbelse verhaal over de schepping van de mens en de dieren. Op zoek naar een partner keek de eerste mens alle dieren diep in de ogen, en God was benieuwd wat hij van ieder dier zou zeggen. We delen een gemeenschappelijk aandachtsveld, en geen dier is daarvoor zó afgestompt als de mens met al zijn drukte. Vandaar dat ik geneigd ben om de lammeren in de kerkdienst heel serieus te nemen.

22 april 2018, Piet van Veldhuizen

 

Voor het verhaal over de koolmezen zie http://www.woordenmetzielenzin.nl/PDFs/2012-BN.pdf, paragraaf 12 op pagina 12.

Het boek van Rupert Sheldrake is in het Nederlands alleen tweedehands te verkrijgen. De Engelse oorspronkelijke versie wordt geregeld herdrukt.

De schaapskooi van Huug en Cocky Hagoort vind je op www.schaapskooiottoland.nl.

Meer tussen hemel en aarde (24): Geen rib uit je lijf maar wederhelft

GEEN RIB UIT JE LIJF MAAR WEDERHELFT

Op de eerste bladzijden van de Bijbel wordt tweemaal verteld over de schepping van de wereld. In Genesis 1 gebeurt dat in zes dagen – eerst is er alleen duistere chaos en oerzee, en dan wordt stap voor stap licht, land en orde geschapen, met zon en maan, dag en nacht. Dan komen planten, vissen, vogels, landdieren en tenslotte de mens, ‘man en vrouw’. Dat is het verhaal van reinheid, rust en regelmaat, want in chaos gaat alles ten onder.

In Genesis 2 gaat het anders: daar lezen we dat er in het begin geen gewas op aarde kan groeien omdat er geen water is en geen mens om ervoor te zorgen. Ik noem Genesis 1 altijd het natte scheppingsverhaal en Genesis 2 het droge. En als er dan water komt en God maakt een mens uit rode klei, kan de paradijstuin worden geplant.

We kennen het verhaal maar lezen het meestal door de bril van de latere traditie. Want: Genesis 2 vertelt dat God het niet goed vindt dat de mens alleen is. Dan maakt God alle dieren en stuurt ze één voor één naar de mens, om te kijken wat hij zal roepen. Hij geeft ze allemaal een naam, dus hij heeft ze diep in de ogen gekeken, maar geen dier kan het alleen-zijn van de mens doorbreken. Daarom laat God tenslotte de mens in een diepe slaap vallen. Hij neemt iets van de eerste mens en maakt daaruit de tweede. Zodoende ontstaan in Genesis 2 de dieren tussen de eerste en de tweede mens in – anders dan in Genesis 1. De samenstellers van Genesis hebben er geen moeite mee gehad om twee heel verschillende scheppingsverhalen zomaar naast elkaar te zetten. De twee verhalen hebben elk hun eigen boodschap en zeggingskracht.

Maar – wat nam God uit de eerste mens om er de tweede van te maken? Bijna alle Bijbeluitgaven zeggen dat het ‘een rib’ was. Dat is al heel lang, al van vóór het jaar nul, de traditie: de vrouw is een rib uit het lijf van de man.

De Hebreeuwse tekst van Genesis 2 zegt dat God een tsela van de mens nam. Op alle andere (circa 36) plekken waar dat woord voorkomt, betekent het zijde, zijkant, lange kant, zijbalk, deurvleugel, huisvleugel, bergflank. Dus logischerwijze zou je moeten vertalen dat God van de eerste mens een zijkant nam, een zijde. Of anders gezegd: God halveerde de eerste mens. In Genesis 2 wordt ook pas ná deze actie de eerste mens ‘man’ genoemd, als hij zijn ‘vrouw’ herkent als zijn andere helft. Dat is zo mooi: de eerste mens was niet de man – pas als de helft eraf genomen wordt en tot vrouw gemaakt, blijft er een man over. En die twee helften zullen voortaan altijd naar elkaar op zoek zijn, want: het is niet goed dat een mens alleen is, hij heeft een tegenover nodig voor hulp en tegenspraak.

Hoe is die ‘rib’ dan in de vertaling terechtgekomen? Dat is al een eeuwenoude traditie, al van vóór Christus – maar het is een traditie vanuit mannelijk belang. Man en vrouw mochten niet gelijkwaardige wederhelften van de éne oermens zijn. De vrouw moest voor de man ‘een rib uit zijn lijf’ zijn en hij klaagt daar nog steeds over. Voor liefhebbers van het Frans: de tekst van Genesis 2 zegt dat God een côte van de mens nam en daarvan een tweede mens maakte, en de vertalers van alle eeuwen hebben er een côtelet van gemaakt, geen zijde maar een rib.

Zo is een verhaal over een mens die incompleet is zolang hij geen tegenspaak krijgt, geworden tot een verhaal over het primaat van de man over de vrouw. Erg jammer, want dan gaat het over een gevecht, terwijl het bedoeld was als een verhaal over kameraadschap.

15 april 2018, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (23): Het kruis van Jezus afhalen

In het laatste hoofdstuk van haar boek Rebible schrijft Inez van Oord (de vrouw achter het blad Happinez) dat ze moeite heeft met het verhaal over Jezus aan het kruis. Of dat ze moeite heeft met het feit dat we dat kruis steeds maar blijven afbeelden. Dat symbool van een weerzinwekkende marteldood – waarom zou je dat vereeuwigen? Ze schrijft:

“Het liefste zou ik Jezus als icoon van het kruis halen.
Nee andersom, het liefste zou ik het kruis van Jezus halen.”

Ja, want als je het kruis van Jezus haalt, blijft er een mens over met wijd open armen, symbool van vrijheid en bevrijding. Maar dat is volgens mij ook precies waar het kruis het symbool van is: van een houding. Pas in de latere middeleeuwen, toen de pest Europa teisterde, werd de gekruisigde Jezus afgebeeld als een hangende geradbraakte man. Veel ouder is de traditie om Jezus af te beelden als degene wiens liefde en vrede de haat en het geweld heeft overwonnen. Dus geen historisch correcte plaatjes van een slachtoffer van executie, maar beelden van een zegenende Christus met het kruis achter zich.

 

Die houding (die ik de kruishouding noem) staat in mijn beleving voor drie dingen: je hart openen, welkom heten, zegenen. Terwijl je je bij het lot van Jezus precies het tegengestelde had kunnen voorstellen: je hart toesluiten, je belagers buitensluiten, hen vervloeken. Ik zeg altijd: we herinneren ons de kruishouding van Jezus niet omdat hij erop werd vastgenageld, maar omdat het ook daarvoor en daarna zijn meest eigen houding was. Wat de dood overwon, was zijn volgehouden bereidheid om kwetsbaar te zijn, open te blijven, de dingen bij de naam te noemen, vergevingsgezindheid te oefenen, de betrokkenheid van God bij zijn wereld te belichamen.

Nu vieren we Pasen – feest van bevrijding, opluchting, voorjaar, nieuw leven. Zo werd het in de joodse wereld al gevierd toen het verhaal van Jezus zich afspeelde. Precies aan de vooravond van dat feest werd Jezus ter dood gebracht. Terwijl zijn volk de exodus uit het slavenbestaan vierde (het oude verhaal over de tocht dwars door de zee) ging hij door de dood heen, naar de overkant.

Ja, want we vieren de opstanding niet om te zeggen dat er iemand is teruggekomen uit de dood, terug in zijn goede oude bestaan. Alle verhalen in de evangelieboeken spreken over verschijningen. De opgestane Heer is niet terug van weggeweest, hij is verder gegaan naar een volgende kwaliteit van zijn, en daar krijgen zijn volgelingen soms even een glimp van te zien. Zoals ik ook nu geregeld van mensen verhalen hoor die een glimp opvangen van Christus, of van een engel, of van een gestorven medemens. Zodra je dat wil vastleggen, ontglipt het je, maar je weet wel dat je het niet hebt gedroomd – of je weet dat de droom geen bedrog was. De Heer is waarlijk opgestaan!

Pasen, 1 april 2018, Piet van Veldhuizen

Er gaat een leeskring rond het boek Rebible bijeenkomen op de woensdagen 4 en 11 april vanaf 20:00 uur in De Ark, waarbij ik hoop op een zo gemêleerd mogelijk gezelschap. En mocht het naar meer smaken, maken we verdere afspraken. Je kunt nog aanhaken!

Het citaat staat op pagina 227 van het boek.

De foto toont de allervroegste afbeelding van de gekruisigde Jezus die bewaard is gebleven, in de 5e-eeuwse deurpanelen van de Santa Sabina-kerk in Rome. Daar is het kruis al van Jezus afgehaald…

 

 

Meer tussen hemel en aarde (22): Als je sterft, ga je dan dood?

ALS JE STERFT, GA JE DAN DOOD?

Volgens de Evangelietekst die we deze zondag in De Ark zullen lezen heeft Jezus gezegd: “Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij op zichzelf; maar als hij sterft draagt hij veel vrucht.” Diezelfde gedachte komen we verderop in de Bijbel nog een keer tegen, bij Paulus die schrijft: “Wat je zaait geeft geen leven als het niet sterft.” In beide gevallen is het bedoeld als beeldspraak over ons eigen bestaan.

Maar verschillende intelligente mensen hebben in de afgelopen dagen tegen mij gezegd dat het beeld helaas niet klopt. Als een zaadkorrel dood gaat, zal hij niet meer ontkiemen. Als hij wél ontkiemt, is hij niet doodgegaan. Dus het beeld rammelt. Wat de graankorrel laat zien is in feite het omgekeerde: wie doodgaat, staat niet meer op. Wie opstaat, kan niet dood zijn geweest.

Oei. Laat ik nou voor de Paasgroet van De Ark ook dit beeld hebben gebruikt, omdat ik er zo aan gehecht ben. Hoe nu verder? Zeggen dat die Bijbelschrijvers nu eenmaal geen kaas van biologie hadden gegeten? Op zoek naar een nieuw beeld voor het sterven als transitie naar een andere staat van zijn? Of eerst maar eens afwachten hoe het is als je zelf dood gaat?

Ik denk nog even verder over de zaadkorrel. Misschien is het nog wel gekker: in zekere zin is de korrel voordat hij in de aarde valt en kiemt, doder dan daarna. In een korrel die droog en koel bewaard wordt, staat alles stil. Geen celdeling, geen stofwisseling, geen enkel chemisch proces. Graankorrels uit de graven van de Egyptische farao’s konden in de 20e eeuw tot kiemen worden gebracht, na vierduizend jaar absolute stilstand. Zolang hij niet gezaaid wordt, zei Jezus, blijft hij op zichzelf. Dat kun je niet echt leven noemen. Zoals mensen na een bijna-dood-ervaring vaak zeggen dat ons aardse bestaantje niet echt leven te noemen is in vergelijking met datgene waarvan ze een glimp hebben gezien.

Biologisch gezien gaat de zaadkorrel niet dood, maar hij verliest wel zijn vorm, de gedaante waarin hij tot nu toe heeft bestaan. Dat wat hij was (hard, glanzend, afgerond, inhoudsrijk, vrijwel onaantastbaar) moet hij loslaten, hij moet uit elkaar vallen, hij gaat compleet binnenste buiten. Dat is wat er volgens mij dan weer wél klopt aan het beeld. De donkere diepte in en binnenste buiten gaan. De schillen vallen af en zullen vergaan. De potentie ontkiemt in een compleet andere hoedanigheid. Zo past Paulus het beeld van de stervende graankorrel toe: je kunt nu onmogelijk een idee hebben van de aard van je nieuwe gedaante achter de dood. Je weet alleen dat het ánders zal zijn.

Sterft de korrel of niet? Het is uiteindelijk een kwestie van definitie. Is sterven het vervallen van de huidige bestaansvorm? Of is het dat alle leven stopt? Maar wat is ‘alle leven’? Als er niets zou zijn buiten het chemische en biologische domein, zou iemand die sterft dood zijn, klaar uit. Maar mijn ervaring, hoe bescheiden ook, zegt me dat sterven een overgang is waarin voor de sterveling in kwestie niet alles ophoudt. Ik laat de Paasgroet toch maar gewoon bezorgen.

18 maart 2018, Piet van Veldhuizen

De Paasgroet 2018 van De Ark staat inmiddels ook op de website.
De Bijbelteksten over de zaadkorrel vind je in Johannes 12:24 en 1 Korintiërs 15:36.

Meer tussen hemel en aarde (21): geeft geloof altijd gedonder?

GEEFT GELOOF ALTIJD GEDONDER ?

Afgelopen woensdag kwam een controleur in De Ark de brandblussers en de noodverlichting nakijken. Halverwege zijn klus stonden we in de gang te praten, elk met een beker koffie in de hand. Hij omschreef zichzelf als ‘superatheïstisch’ – maar hij vond dat iedereen het natuurlijk helemaal zelf mocht weten. Wel had hij zich onlangs nog erg opgewonden over de Jehova’s Getuigen die voor de zoveelste keer aan zijn deur kwamen. Ze hadden een kleine jongen bij zich ‘in een apenpakkie en met zo’n boekentas’. Zo’n jong hoort gelukkig te zijn op het voetbalveld, vond hij, in plaats van mee te moeten doen met dit krampachtige gedoe. Dat bracht ons erop hoe kwalijk het is als angst, dwang en macht de boventoon voeren in een kerk, of waar dan ook. Gelukkig wilde de goede man wel van me aannemen dat er ook kerken en geloofsgemeenschappen zijn waar dat niet het geval is, maar hij merkte nog wel op dat geloof altijd weer tot bloedvergieten heeft geleid.

Ja, denk ik dan, hij heeft een punt. Hoewel – pas toen hij weg was schoot me weer te binnen dat de allergrootste slachtingen van de 20e eeuw zijn aangericht door antireligieuze bewegingen: het nazisme, het Stalinisme, het Maoïsme, de Rode Khmer. Dat waren atheïstische bewegingen die iedereen uit de weg ruimden die niet in hun plaatje van de waarheid paste. Dus misschien gaat het niet om religie of geloof, maar om de manier waarop je met je eigen gelijk omgaat – met het gelijk waarin je gelooft. Of je nu christen, atheïst, moslim of boeddhist bent: als je zó in je eigen gelijk zit dat je het gelijk van een ander niet meer kunt horen, gaat het mis. En als je je eigen gelijk met alle geweld aan de wereld wilt opleggen, vallen er doden.

De voormalige Britse opperrabbijn Jonathan Sacks zegt dan: jouw eigen gelijk kan nooit het hele gelijk zijn. Dat geldt volgens hem ook van religies. De éne waarheid die boven ons allemaal uitgaat, het hemelse witte licht, valt als het ware door zo’n glazen prisma op de wereld, uitgewaaierd in alle kleuren van de regenboog. Jouw geloof, zegt Sacks, is één van die kleuren. Wees er zuinig op, maar denk niet dat het de hele waarheid is. Kijk ook met verwondering naar de andere kleuren waar andere mensen helemaal in thuis zijn. En geniet van het kleurenspel als verschillende tradities naast elkaar bestaan. Kluts ze niet door elkaar, zegt hij ook, want dan wordt alles grijs. Verheug je in de verschillen, die maken de wereld bont en rijk.

Daar zit hem de kneep: vaak worden we van verschillen niet blij maar wantrouwig. Dan denken we: óf zij hebben gelijk, óf wij. Want er is toch maar één waarheid? Ja, zegt Sacks dan, in de hemel wel, maar die ene waarheid kun jij hier op aarde nooit in pacht hebben. Je bent een puzzelstukje, en om het hele plaatje te zien moet je vriendschap sluiten met puzzelstukjes die anders zijn dan jij. Het ware puzzelstukje bestaat niet. Wat wel bestaat, is het stukje dat precies op dat ene plekje past, maar dat geldt van allemaal. Hou onbekommerd vast aan je eigen geloof, maar gun de andersgelovige (en de ongelovige) dat die dat ook doet – en blijf nieuwsgierig naar al die andere perspectieven. Dan is geloof een vredeskracht die verbondenheid brengt, en geen gedonder.

11 maart 2018, Piet van Veldhuizen

De afbeelding van het prisma komt van de website van rabbi Sacks. In 2005 vertaalde ik zijn boek “The dignity of difference” in het Nederlands – het is bij uitgeverij Meinema verschenen als “Leven met verschil”.

Meer tussen hemel en aarde (20): Hoe zen is de zending?

HOE ZEN IS DE ZENDING?

We hebben zondag in De Ark een kerkdienst in het teken van ‘de zending’. We collecteren voor twee projecten in Azië en iemand van ons landelijke projectbureau komt daar toelichting bij geven. Ik heb daar altijd weer dubbele gevoelens bij. Ja, er moet veel onvoorwaardelijke liefde de wereld in en veel praktische steun, er moet veel ongelijkheid worden bestreden en veel vrede worden verspreid. Maar ik besef dat onze ‘zending’ niet altijd alleen maar dat is: het is soms ook export van geloofsartikelen, religieuze ruis en kerkelijk gedoe.

De vraag ‘hoe zen is de zending’ zou dus ook kunnen luiden ‘hoe mis is de missie’, en ik zou hem graag als een oprechte open vraag stellen. Wat denken we dat we daarginds gaan brengen? Brengen we bevrijding en heilzame samenhang, of brengen we verwarring en conflict? En – is het soms niet zo dat we zó graag iets willen brengen, dat we vergeten om eerst goed te kijken en te luisteren?

Mijn beeld van Jezus is dat hij mensen aankeek, aanraakte, aansprak, zo dat ze zich herkend voelden tot diep in hun binnenste. De gevestigde orde werd er onrustig van maar voor mensen in nood was het een weldaad. Als we als christelijke gemeenschap een zending (missie) hebben, is het om die aanwezigheid van Jezus te belichamen. Dus niet om een theorie te brengen, een stelsel of een leer. We moeten er niet naar streven om mensen óm te labelen van hindoe of confucianist naar christen – het gaat om die aanraking met genade en liefde en niet om het etiket. Soms zal je ervaren dat die ander Jezus belichaamt voor jou – tenzij je oogkleppen op hebt die je beletten om dat te zien, en dan is zending een gevaarlijk spel.

Jezus belichamen – dat is inderdaad een soort zen: het vraagt van je dat je alle labels aflegt, alle pretentie en ambitie, alle begeerte en geldingsdrang. Dat je ego niet tussen Christus en je medemens in staat. Anders wordt zending de export van ons collectieve christelijke ego. Die belichaming vergt levenslange oefening en blijft altijd onvolmaakt. Zending zal daarom altijd een zeer bescheiden beweging moeten zijn, een vorm van te gast zijn, zonder verkooppraatjes en met een grote bereidheid om te leren. Het is een zegen uit Azië dat in een aantal christelijke kloosters in Nederland zen beoefend wordt, en het zou niet goed zijn als onze zending zou proberen om mensen van de zen af te helpen en vol te gieten met westerse dadendrang.

We lezen zondag, gewoon volgens het oecumenisch leesrooster van de Raad van Kerken, over Jezus die de tempel schoonveegt, die alle ballast en gedoe weg wil hebben uit de gebedsruimte. Het gaat hem niet om een georganiseerde religie maar om de ontmoeting van het hart met God waarin alles zuiver en helder wordt. Dat is een zen-ding, en dat was zijn zending.

4 maart 2018, Piet van Veldhuizen

Op de foto: de zenruimte van de Abdij Maria Toevlucht in Zundert.
Ook in de Sint Willibrordsabdij in Doetinchem wordt zen beoefend vanuit een christelijke spiritualiteit.
De kerkdienst over zending is nog een halfjaar te beluisteren via www.kerkdienstgemist.nl.

 

Meer tussen hemel en aarde (19): Huisdierenhemel en darmfauna

HUISDIERENHEMEL EN DARMFAUNA

Komen huisdieren in de hemel? Dat is een vraag die kinderen van gelovige ouders telkens weer stellen als ze hun dode hamster of parkietje begraven. Soms verwijzen die ouders hun kinderen voor een antwoord door naar de dominee. Die weet dat immers. Zo kwam een paar weken geleden dat thema weer eens ter sprake in een kleine groep 10-12 jarigen. We waren het er snel over eens dat ‘de hemel’ ook maar een manier van zeggen is. Dat onze voorstellingen van wat er achter de dood is heel onbeholpen zijn. Maar hoe dan ook, vonden ze, het zou wel eerlijk zijn als er voor de konijnen en katten ook een plekje was in het eeuwig licht.

Daar heeft de christelijke traditie een probleem. In onze geloofsvoorstellingen gaat het uiteindelijk alleen over God en de mensen. We waarderen de schoonheid van de natuur, we verwonderen ons over de rijkdom van de schepping – de films van David Attenborough worden in Nederland steevast door de Evangelische Omroep uitgezonden. Inmiddels kunnen steeds meer traditionele christenen goed uit de voeten met de evolutietheorie. Maar bij de ultieme vragen van leven en dood, verlossing en eeuwigheid, hoe verschillend we er onderling ook over denken, gaat het over God en mens. God mag engelen meebrengen, maar de mens staat er alleen. Zonder dieren, zonder planten. Alsof die alleen de stoffering vormen van het aardse huis dat God voor mensen heeft gemaakt.

Twee schrijvers hebben me daarover in de laatste jaren aan het denken gezet. De katholieke theoloog/paleontoloog Teilhard de  Chardin ziet heel de kosmos als een zich-ontwikkelend geheel. Het begon met de oersoep, toen begon de kristalvorming als een zelf-ordenende beweging, daarna het leven en de celvorming, de clustering van cellen tot organismen, een begin van bewustzijn – het reflexieve bewustzijn van de mens is daarvan vooralsnog de verste ontwikkeling. Maar volgens Teilhard hebben we dat bewustzijn als het ware namens het geheel: wij zijn de ogen waarmee de schepping naar zichzelf kan kijken. Als we voor God staan, dan altijd mét heel de kosmos waarvan we voorlopig als het ware de toespitsing zijn. En met het besef dat we niet het eindpunt zijn van de ontwikkeling.

 

En dan is er Isaac Asimov, de SF-romanschrijver die in zijn Foundation-serie een planeet Gaia opvoert waarop alles wat er is een bewustzijnsveld met elkaar deelt waarin rotsen, planten, dieren en mensen elkaar gewaar zijn, elkaars pijn en angst en genot voelen: de rotsen als levenloze kristalvorm komen maar heel zwak door, maar hoe ontwikkelder de levensvorm is, hoe heviger die de vibraties van al het andere waarneemt. Waardoor al wat leeft met al het andere meeleeft en zich diep verantwoordelijk voelt voor het welbevinden van het geheel. Het is maar een verhaal en Asimov staat niet op mijn lijstje van grote denkers, maar toen ik dit verhaal las, ervoer ik het heel direct als waarachtig, als iets dat ik net wel of net niet uit ervaring ken. Wat zou ik dit levensbeeld graag integreren in mijn christelijke geloofswereld!

Er is nog een heel andere invalshoek. Recent onderzoek naar onze darmen toont aan dat de duizenden soorten bacteriën die daar huizen medebepalend zijn voor ons zelfgevoel, ons humeur en onze persoonlijkheid. Zonder die bacteriën, miljarden eencellige dieren, ben je geen mens. Heel je stofwisseling is zonder deze medeschepsels ondenkbaar. Wat we darmflora noemen is eigenlijk darmfauna en heel dat dierenpark hoort onlosmakelijk bij wie je bent. You never walk alone, denk ik dan, en iedereen heeft het volste recht om in majesteitsmeervoud te spreken: wij allen, Piet van Veldhuizen… Als ik nu vraag of die bacteriën ook in de hemel komen, mag je dat best een flauw geintje vinden. Maar de vraag is wél hoe al wat bestaat meegenomen kan worden in een gelovig beeld van ‘waar het heen gaat’.

11 februari 2018, Piet van Veldhuizen

De ideeën van Pierre Teilhard de Chardin vind je in zijn boek ‘Het verschijnsel mens’ dat al in 1963 in het Nederlands verscheen.
Isaac Asimov schrijft over Gaia in hoofdstuk 17 van het boek Foundation’s Edge uit 1982.
Over de darmflora heb ik veel geleerd uit het boek van Julia Enders: De mooie voedselmachine, dat in het oorspronkelijke Duits veel mooier heet: Darm mit Charme.

Meer tussen hemel en aarde (18): zout en zeeklei

ZOUT EN ZEEKLEI: EEN VAKANTIEVOORSTEL

In het jaar 632 gebruikte een Keltische monnik de stenen van het Romeinse kustfort Othona in wat nu Essex heet, om een kerkje te bouwen. De monnik heette Cedd en hij was uit het Noorden gekomen, van Lindisfarne dat ook Holy Island wordt genoemd, een broedplaats van Keltisch christendom vlakbij de monding van de Tweed waar Engeland aan Schotland grenst. De Keltische christenen waren (en zijn) natuurmensen, ze gaan ontspannen en dankbaar om met lichamelijkheid en liefde en ze beleven hun geloof in weer en wind. Daarom past het goed dat het kerkje van Cedd nog steeds helemaal alleen staat, tussen het groen en bruin van de akkers en het grijs en blauw van de kwelders. Het heet nu St. Peter-on-the-Wall, en die wall is de oude zeedijk van fort Othona die je alleen op luchtfoto’s nog kunt zien, als een schim onder het gras.

In de Tweede Wereldoorlog werd niet ver van het kerkje een militair vliegveld aangelegd, en later ook een kamp voor Duitse krijgsgevangenen. Toen de oorlog voorbij was, vertrok de Royal Air Force maar de gevangenen bleven nog een tijdlang. Eén van de vernieuwende denkers en doeners in de Engelse kerken, Norman Motley, begon toen een bijzonder project: hij gebruikte de nissenhutten van het vliegveld om ontmoetingskampen op te zetten waar de jonge Duitse gevangenen in contact werden gebracht met Engelse leeftijdgenoten. Zo ontstond Othona Community. Elke ochtend en avond liepen de kampgangers naar het kerkje van Cedd voor een gebedsmoment – dat niet aan de normen van een bestaande kerk hoefde te voldoen. Het was een vredesexperiment waarin plaats moest zijn voor zoveel mogelijk vormen van geloof.

Othona Community bestaat nog steeds, en de gang naar het oude kerkje wordt nog altijd gemaakt. Er wordt veel bij kaarslicht gezongen en gebeden, want electriciteit is er niet in de kerk. De gebouwen van Othona Community zijn ook niet op het stroomnet aangesloten, maar die hebben hun eigen windmolen en zonnepanelen. Je bent er weg van de drukke wereld, het voelt als een vrijplaats, alle gasten doen mee: de ochtendpap koken, het brood bakken, de vaat wassen of de pruimen plukken.

Het hele jaar door zijn er themaweken in Othona. In de vierde week van augustus 2018 gaan wij (mijn vrouw Machteld Teekens en ik) daar een week leiden onder het motto Salt & Clay. De kust is daar van zeeklei waarmee je van alles kunt doen, en vlakbij in Maldon aan het Blackwater wordt al sinds de Romeinse tijd zout gewonnen. Machteld gaat aan het werk met zeeklei en boetseerklei en zout: kneden, vormgeven, kijken wat het zout doet, klei stoken in de vrije natuur met vuur in een gegraven put. Ik ga daarbij iets doen met verhalen uit de Bijbel en andere tradities waarin klei en zout een rol spelen: lezen, vertellen, uitspelen, herschrijven, kijken wat er gebeurt als je ze leest met klei en zeezout in je handen. Als je wilt, kun je meedoen!

Er komen nog elke zomer Duitse gezinnen naar Othona, en Engelsen van allerlei slag. Voor kinderen is het een paradijs. Onder de vloer van het hoofdgebouw leven dassen die je ’s nachts, als je heel stil blijft zitten, kunt zien rondscharrelen op de veranda. En dat kerkje uit 632 – ik kan er niet over uit, het is zó recht-toe-recht-aan en tegelijk zo sereen.. ik word er vanzelf stil. Ik voel me er verbonden met de wereld. Het is een plek van God.

4 februari 2018, Piet van Veldhuizen

Op de website van Othona Community Bradwell vind je de gegevens over de themaweek Salt & Clay.

Meer tussen hemel en aarde (17): aandacht en zegen

AANDACHT EN ZEGEN

Wat heb ik toch een merkwaardig beroep. Tijdens bezoeken en in mijn spreekuren luister ik veel, op zondagmorgen en in cursussen praat ik veel, maar in beide gevallen is de vraag: wat doe ik eigenlijk, wat voeg ik toe, welk resultaat bereik ik? Sommige mensen zeggen: dat de kerk (hier, vooralsnog) niet leegloopt. Vanuit mijn eigen positie bezien zou dat betekenen dat ik mijn broodwinning op peil houd. Dat zal de belastingdienst verdienstelijk vinden, maar wie is er verder mee geholpen? Nee, als ik met mijn predikantsberoep iets te bieden heb, dan is het aandacht – en dat ik mensen kan zegenen. Wel mooi, een A en een Z. Twee ontastbare dingen, op het randje van niets, maar het kan je levensopdracht zijn.

Afgelopen vrijdag was ik bij een bijzondere studiedag in conferentieoord Hydepark in Doorn. Dat is de centrale studielocatie van de Protestantse Kerk in Nederland. Predikantenvereniging Op Goed Gerucht hield daar een dag over ‘pionieren’ – over bijzonder predikantswerk aan de rand van de kerk of op plekken waar geen kerk (meer) is. Pioniers, zei een van de sprekers, zijn mensen die de gave hebben om niet in hokjes te passen. Pionierende predikanten zijn met aandacht en zegen aanwezig op onverwachte en onwaarschijnlijke plekken. Niet om reclame voor de kerk te maken of om mensen tot onze overtuigingen te bekeren. Wat er gebeurt als je bereid bent om ergens met aandacht en zegen te zijn, dat kun je onmogelijk voorspellen. Een ding is zeker, namelijk dat het jezelf verandert. En iemand vroeg: moeten we van mensen christenen maken, of moeten we van christenen mensen  maken? Dat laatste begint bij jezelf.

In de middag waren er workshops over diverse thema’s. Een ervan werd aangeboden door Dansklooster en bestond uit anderhalf uur dansen in de kapel. Op allerlei ritmes, van meditatief tot uitbundig, om in jezelf te keren en uit je dak te gaan. Met een spiegeltje in de hand om jezelf te zoeken of, via-via, de blik van de ander, of met een voile om te zwieren en tenslotte met een kaars om biddend tot rust te komen. Dat was het moment waarop die twee woorden me te binnen kwamen als samenvatting van wat ‘wij dominees’ te bieden hebben: aandacht en zegen.

Vandaag is het zondag, en in De Ark lezen we het Bijbelverhaal (uit Marcus 1) over een bezetene, een ‘man met een onreine geest’ met wie Jezus in de synagoge wordt geconfronteerd. Exorcisme, denk je dan, er wordt een boze geest uit iemand verdreven door Jezus die zijn machtswoord spreekt. Ik zal beloven dat we daar in De Ark niet mee gaan experimenteren. Maar wat mij aanspreekt in zo’n bozegeestenverhaal is dat je verschil maakt tussen de mens zelf en zijn bezetenheid. Jezus ziet dat achter die gevaarlijke gekte een kostbaar mens schuilgaat – en hij verdrijft de gekte maar de mens mag blijven. Wij zouden gezegd hebben: daar heb je die gek weer, die is gewoon zo, hopelijk gaat hij ergens anders gek doen. Het verhaal zegt: nee, die gekte moet weg maar die mens moet blijven. Wij zijn Jezus niet dus we hebben er vast meer geduld en tijd voor nodig, maar dat verschil moeten we maken, tussen wat er in jou of mij gevaren is en jouzelf of mijzelf. Dat verschil maken, zo moeizaam als dat vaak in de praktijk gaat – dat is zo’n kwestie van aandacht en zegen.

28 januari 2018, Piet van Veldhuizen

Het fotootje heb ik gejat van de Facebookpagina van Janneke Nijboer (de spreekster op de foto) die samen met Berthe van Soest de studiedag heeft georganiseerd en het ‘pioniersgeestnetwerk’ van Op Goed Gerucht runt.

Over een andere versie van het aangehaalde Bijbelverhaal (namelijk uit het Lucas-evangelie) heb ik ooit een stuk geschreven onder de titel ‘Heilzaam onderscheid’.

Meer tussen hemel en aarde (16): Soms word je geroepen

SOMS WORD JE GEROEPEN

Vandaag hebben in De Ark de tweejaarlijkse ‘wisseling van de wacht’ van de kerkenraad. Dat gebeurt plechtig, in de kerkdienst. We zeggen dan dat je ‘geroepen wordt’ tot het ambt van ouderling, diaken of kerkrentmeester. Je wordt gewoon door mensen gevraagd, maar je reageert omdat die vraag je op een diep niveau raakt. Je voelt je geroepen.

We lezen daarbij het bekende miniverhaal over Jezus die langs de oever loopt en de zonen van twee vissers roept om hem te volgen – en ze laten meteen hun netten liggen en volgen hem, zegt Marcus in zijn evangelie. Is het echt zo gegaan? Het evangelieboek van Johannes vertelt een heel ander verhaal: die jongens zijn zelf op zoek, ze wijzen elkaar op Jezus, de één neemt de ander mee. Uiterlijk zijn het twee heel verschillende verhalen, maar innerlijk gaat het over hetzelfde: dat iets je roept, of iemand, en dat je hart reageert. Dat je niet zomaar in de tredmolen van je bestaantje blijft kuieren, maar een stap zet die met je diepe bestemming te maken heeft. Al heb je misschien nog lang geen idee wat die bestemming is.

Het heeft ook iets te maken met onze diepe onderlinge verbondenheid: je bent niet een eenzame enkeling, er lopen zoveel lijntjes. Ik hoor soms van mensen dat ze in een droom een noodkreet van een ander opvingen, op grote afstand, en dat bleek dan echt te kloppen: die ander roept je via het onderbewuste. En wat heel veel mensen kennen: je denkt opeens aan iemand, je weet niet waarom, en een moment later belt precies die persoon. Dus je was al verbonden en je werd ‘binnendoor’ al geroepen voordat de bel ging. In vroeger eeuwen kwam het geregeld voor dat twee mensen op hetzelfde moment zo sterk aan elkaar moesten denken dat ze elkaar een brief gingen schrijven, maar dat ontdekten ze pas weken later als de post aankwam.

Als kind oefende ik een tijdje met het stilletjes roepen van anderen op afstand. Dan zat mijn vader in de ouderlingenbank voorin de kerk, ik kon hem van terzijde zien, en dan concentreerde ik me heel sterk op hem om hem te laten opkijken, mijn kant op. Daar kun je heel bedreven in raken en heel soms, als het echt nodig is, gebruik ik het nog. Als het werkt kun je nooit bewijzen dat het geen toeval was – maar dat geeft niet als het werkt..

Die verbondenheid die zoveel manieren van ‘roepen’ mogelijk maakt, zegt mij vandaag dat ik er niet voor mezelf alleen ben. We zijn samengesteld uit organismen (cellen), we zijn elk voor zich grote organismen, maar samen vormen we ook een levensgeheel, een groot organisme. Niemand is er puur voor zichzelf, en alleen in onderling verband kunnen we goed uit de verf komen. In dat verband speel je een unieke rol en die kun je het beste met verve spelen.

Ik stel me zo voor dat een van die jongens in het evangelieverhaal met de netten in de hand naar de bergen stond te staren. Hij zou visser zijn want dat was zijn vader ook, net als zijn opa. Hij zou de boot moeten delen met zijn broer, of een van hen zou een nieuwe moeten bouwen. Hoeveel vissers kon het meer hebben? Zou de wereld niet groter zijn dan deze plek en deze bestemming? Toen kwam daar die man langs. Zijn blik zei ‘Kom je?’

Dat was het moment om de sprong te wagen.

21 januari 2018, Piet van Veldhuizen

Rupert Sheldrake heeft veel onderzoek gedaan naar ’telefoontelepathie’ (dat je al denkt aan degene die jou belt) en ook naar het feit dat je soms kunt voelen dat iemand naar je kijkt. Zie zijn boek ‘The Sense of Being Stared At’

Meer tussen hemel en aarde (15): Januarigevoel

JANUARIGEVOEL

Kerst en oudjaar zijn voorbij, dat was vorig jaar. De feestversiering is opgeborgen. In de tweede week van het nieuwe jaar is er bijna elke dag wel een nieuwjaarsontmoeting. We beseffen dat we iets moeten gaan doen met dat nieuwe jaar, maar na de drukte en knusheid van december houden we het graag een beetje onbestemd.

Ik stond gisteren een poosje naar het schildpaddenperk in onze achtertuin te staren. Onze twee Europese landschildpadden, Socrates en Plato, zitten daar al sinds eind oktober onder de grond. Ik weet niet eens precies waar – toen het weer te bar werd, hebben ze zich ingegraven en tegen Pasen zullen ze zich wel weer melden. De herfstbladeren helpen ervoor te zorgen dat hun plekje niet bevriest. Soms vind ik het best een aantrekkelijk idee, zo’n winterslaap. Er zijn van die dagen met te weinig licht en teveel verplichtingen, dan zou ik er zó voor tekenen.

Onlangs las ik ergens dat de Romeinen helemaal in het begin van hun geschiedenis (de stad Rome is gesticht in 753 voor Christus) een tijdlang maar tien maanden op hun kalender hadden. Die maanden hadden al de namen die we nog steeds gebruiken: het begon in het vroege voorjaar met Mars (maart), en het stopte met de midwinterfeesten van december. De namen weerspiegelen deze telling nog: september betekent ‘zevende maand’, oktober ‘achtste’, november ‘negende’ en december ‘tiende’. En na december kwam er een poosje niks. Ik heb geen idee wie er bijhield wanneer het weer maart werd, maar die tijd kwam niet op de kalender voor. Ik stel me graag voor dat die vroege Romeinen eind december na de oudejaarsconference welterusten tegen elkaar zeiden en op 1 maart weer uit hun hol kwamen en elkaar gelukkig nieuwjaar wensten.

Het is natuurlijk wel altijd de bedoeling geweest om het in de winter rustig aan te doen, als de energie laag is en de vitaminen schaars zijn. De zomer is voor de drukte – in een landbouwsamenleving gaat het vanzelf zo. Onze lange zomervakanties zijn niet uitgevonden om niets te doen, maar om alle handen paraat te hebben bij het hooien en bij de oogst. Pas tamelijk recent is dat ritme helemaal omgedraaid: we maken ons druk als de natuur rust houdt, en gaan op onze gat liggen als het natuurleven hoogtij viert. Alsof we zelf geen natuur zijn. Geen wonder dat we aan voorjaarsmoeheid gaan lijden: we maken ons veel te druk in die maanden die ooit niet op de kalender stonden.

Heel lang hebben de Romeinen dat trouwens niet volgehouden: een kleine tweehonderd jaar hooguit. Toen hebben ze januari en februari ingevuld. Vandaar dat het schrikkelen (het rommelen met extra dagen om de kalender te laten sporen met het zonnejaar) aan het einde van februari gebeurt, dat is restjestijd. Ook in de voorraadkamer, want de wintervoorraad wordt tegen die tijd schamel en schimmelig. Maar goed dat dan de vasten begint, en daarna komt er nieuw groen en gaan de kippen weer aan de leg. Zo was dat vroeger, niet eens zo lang geleden. Paaseieren, dat waren de eerste eieren van de nieuwe leg en die werden versierd en in de kerk gezegend.

Januari is naar Janus genoemd, de Romeinse god van de doorgangen. Hij werd in de deuropeningen afgebeeld met een ‘januskop’: twee gezichten, aan beide kanten van de deur één. Hij herinnert eraan dat je telkens een andere wereld binnenstapt als je een huis ingaat, als je door een stadspoort naar buiten loopt, als je aan een nieuw jaar begint. Je betreedt nieuw terrein waar andere regels gelden, of andere voornemens. We zijn van de decemberdrukte de januarileegte ingerold. Laten we het nog een poosje zo leeg mogelijk houden…

14 januari 2018, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (14): Self fulfilling prophecy

SELF FULFILLING PROPHECY (een kerstgedachte)

Je hebt uitspraken die zichzelf waarmaken. Daar gebruiken we de Engelse term self fulfilling prophecy voor, zelfvervullende profetie. Meestal hebben we het dan niet over positieve uitspraken. Als je bijvoorbeeld naar een feestje gaat en je zegt tegen elkaar: het zal wel weer niks worden – dan is de kans heel groot dat het inderdaad niks wordt.

Verwachtingen doen iets met de werkelijkheid. Dat zie je in het groot op de aandelenbeurs: als de beleggers hoopvol gestemd zijn, vertaalt dat zich in stijgende noteringen; zijn ze wantrouwend, dan gaan de koersen neerwaarts. Ik vind dat niet zo fijn, want de hele economie is op deze manier afhankelijk van de verwachtingen van beleggers en bezitters, en die verwachtingen gaan vooral over meer geld en meer bezit.

Maar dat verwachting iets doet met de werkelijkheid, dat is op zich een mooi gegeven. Als kinderen vol verwachting uitkijken naar Sinterklaas en naar Kerst, kan het feest al bijna niet meer stuk. De verwachting geeft aan kleine dingen glans en zet alles in een warm licht. Het maakt een enorm verschil als je het komende jaar met verwachting tegemoet ziet. Verwachting mobiliseert het beste in je en dan werkt het ook nog eens aanstekelijk op anderen.

Twee jaar geleden kwam een groep Syriërs in ons dorp in de noodopvang. Natuurlijk waren er stemmen van het soort ‘ook dat nog’ en ‘daar gaan alleen maar problemen van komen’ – en als die stemmen de overhand gehad zouden hebben, zou het een drama zijn geworden, een klassiek geval van self fulfilling prophecy. Maar er waren genoeg mensen die er veel van verwachtten, die eindelijk niet alleen maar toeschouwers hoefden te zijn van alle ellende op de TV. Ze kwamen met de warmte van hun hart, met ideeën en gastvrijheid en gezonde nieuwsgierigheid. De aanwezigheid van de Syriërs werd zomaar een meerwaarde in het dorp, er werd een netwerk geknoopt met allerlei positieve bijwerkingen. Dus ook positieve verwachtingen kunnen zelfvervullend zijn.

In deze adventstijd en in de Kerstvieringen lezen we in De Ark telkens een stuk uit het boek van de profeet Jesaja. Er wordt vaak gedacht dat een profeet uit Bijbelse tijden vooral toekomstvoorspellingen deed. En dan is er geharrewar over of die wel of niet zijn uitgekomen. Maar in mijn ogen doet een profeet vooral aan verwachtingen-management. Hij is meer een coach dan een waarzegger. Hij probeert de mensen die hij toespreekt in een bepaalde mood te brengen door ze zijn visioenen mee te geven. Omdat hij weet dat verwachting iets met mensen doet. Dat het via de mensen iets met de werkelijkheid doet.

Strikt genomen is geen enkele profetie zelfvervullend. Als niemand erop zou reageren, zou er niets gebeuren. Pas als ze ons vervult, gaat ze in vervulling. Een Kerstgedachte die alleen op papier staat, gaat heus het diner bij je schoonfamilie niet gezellig maken. Pas als wijzelf vol zijn van ‘vrede op aarde’, kan het wat worden. En als er genoeg[i] mensen vol van zijn, gaat de rest mee. Het maakt dus alles uit voor welke beweging je je hart openzet: voor de onvrede, of voor de vrede.

24 december 2017, Piet van Veldhuizen

[i] Wat is genoeg? De ‘tienprocentregel’ zegt dat een idee of beweging in een stroomversnelling raakt als tien procent van de populatie er helemaal voor gaat. Zie dit artikel.

Meer tussen hemel en aarde (13): Jeruzalem, zwaarden, ploegscharen, kikkererwten

JERUZALEM, ZWAARDEN, PLOEGSCHAREN, KIKKERERWTEN

Vandaag wordt in De Ark die passage uit het boek van Jesaja voorgelezen over Jeruzalem als de plek waarheen alle volken zullen komen om er vrede te leren. Zwaarden zullen tot ploegscharen worden omgesmeed en speren tot snoeimessen. Het is nu vroeg in de morgen en ik weet nog niet of ik erbij ga zeggen dat ook het tegenovergestelde in de Bijbel staat – de profeet Joël roept op tot precies de omgekeerde omsmeed-actie. Die lijkt dezer dagen meer gehoor te vinden in en om Jeruzalem, waar flessen tot granaten worden en stenen tot kogels, met dank aan een president van de Verenigde Staten die een ambassade tot een wig maakt en een vredewens tot oorlogskreet.

De profetische tekst van Jesaja gaat over leren, overdracht, onderwijs: zwaarden kunnen ploegijzers worden omdat niemand de strijd meer doorgeeft. De verbetenheid en de wrok worden niet meer van ouder op kind en van leraar op leerling doorgegeven. Dat is er wel een om over na te denken: wat geef ikzelf door, wat nemen anderen van me over, wat wasem ik uit? Soms kun je totaal van standpunt veranderen maar net zo verbeten of krampachtig als eerst – dan is de wereld niets opgeschoten, want de kramp of de woede is dezelfde gebleven, en die geef je door.

Daarom ga ik in de kerkdienst het boek Jeruzalem van Yotam Ottolenghi en Sami Tamimi omhoog houden. Het is een kookboek door twee chefkoks van wie de een is opgegroeid in West-Jeruzalem en de ander in Oost-Jeruzalem. Ze nemen geen politiek standpunt in maar hopen dat verwondering over de gemeenschappelijke smakenrijkdom mensen echt kan verbinden. Ze verleggen de aandacht, ze gaan voor hart-verruimende ervaringen in plaats van hart-vernauwende debatten. Op pagina 13 staat deze tekst uitgelicht: “Het vergt een stap in blind vertrouwen, maar we nemen die stap graag, en verbeelden ons dat hummus de inwoners van Jeruzalem uiteindelijk bij elkaar zal brengen, als al het andere heeft gefaald”. Hummus: puree op basis van kikkererwten, basisvoedsel aan beide kanten van het front. In elk huis smaakt het anders want het kan op duizend manieren smeuïg gemaakt en gekruid – maar het verdeelt mensen niet in twee kampen.

Twee weken geleden was ik in Rotterdam bij het programma East Jerusalem, West Jerusalem over het muzikale vredeswerk van de Israeli David Broza en zijn Palestijnse vrienden. Hetzelfde recept: geen politieke debatten maar samen de verbindende kracht van muziek opzoeken, mensen bij elkaar brengen met een instrument in de hand, jamsessies voor jongeren organiseren in het vluchtelingenkamp. Daar kun je meewarig over doen, maar dat is dan misschien toch omdat je de strijd wilt doorgeven en niet de verwondering.

Het is adventstijd, en advent is wachten. Mijn yogajuf laat me soms een heel lastige houding innemen, met een draaiïng in mijn lijf waar stramme spieren pijn van doen, en dan zegt ze: “En nu wachten, wachten, wachten”. Als ik dat volhoud, komt na een poosje zomaar de ontspanning, al is dat in het begin onvoorstelbaar.

Zonder verbetenheid en wrok zijn, leven van verwondering en dankbaarheid – dat is de moeilijke houding waarin we moeten wachten. Totdat de ontspanning komt en ‘niemand meer weet wat oorlog is’ (Jesaja 2, 4).

10 december 2017, Piet van Veldhuizen

De lezing over zwaarden en ploegscharen is te vinden in Jesaja 2, 2-5. Het zinnetje ‘ze zullen de oorlog niet meer leren’ is in de Nieuwe Bijbelvertaling weergegeven als ‘Niemand zal meer weten wat oorlog is’. De omgekeerde tekst staat in Joël 4, 10.
David Broza is o.a. te beluisteren via YouTube, bijvoorbeeld in deze gezongen TED-talk.

Meer tussen hemel en aarde (12): Alles wat je eet heeft geleefd

ALLES WAT JE EET HEEFT GELEEFD

Vandaag vieren we in De Ark het Heilig Avondmaal. Dat is een rituele minimaaltijd (hapje brood, slokje wijn) die ons verbindt met het laatste vriendenmaal dat Jezus vóór zijn dood met zijn eerste volgelingen hield. Daar hoort een tafelgebed bij, en soms wordt in dat gebed het spoor van brood en wijn terug gevolgd: naar de graankorrels, de aren op het veld, de druiven in de wijngaard. De korrels zijn vermalen, de druiven geperst. Ze hebben hun zelfstandige bestaan verloren, maar vormen nu een brood, een beker wijn – en als ieder van ons daar een hapje en een slokje van neemt, verbinden ze ons met elkaar, met de Schepper, en met Jezus die zichzelf in liefde prijsgeeft om die verbondenheid te stichten.

Wat voor die rituele maaltijd geldt, gaat ook op voor ons dagelijks brood: alles wat we eten heeft geleefd. Voor alles wat ons leven voedt, offert ander leven zich op, dierlijk of plantaardig. Ook de ingrediënten van bijvoorbeeld een M&M’metje hebben geleefd: de cacaoboon had graag een struik willen worden en de pinda een plant, ze hadden er het talent en de kiemkracht voor. En de suiker komt uit een biet die zijn loof hoog had kunnen laten opschieten. Maar nu gaat hun levenskracht verder in ons.

Toen er nog niet op industriële schaal werd geslacht, was rituele slacht bedoeld om mensen te laten beseffen dat het een heilig gebeuren is als we een dier doden om ons te voeden met zijn energie. Elk leven dat wordt afgesneden om jouw leven te laten doorgaan, is een offer. Als je dat aanpakt, kun je dat het beste dankbaar en bescheiden doen – dan proef je misschien ook zorgvuldiger. En ook als je vegetariër bent of veganist, sterven er levende wezens voor jou, want planten leven ook en echt, alle leven is familie van elkaar.

Michael Pollan is een Amerikaanse onderzoeksjournalist van joodse komaf. Hij schreef o.a. het prachtige boek The Omnivore’s Dilemma, over de herkomst van ons eten, over hoe het allemaal geleefd en gestreefd heeft voordat het bij ons op tafel staat. Aan het einde vertelt hij dat hij als niet-gelovige bij zijn maaltijden een nieuw soort thanksgiving (tafelgebed) heeft ingevoerd: hij presenteert elk gerecht, hij vertelt waaruit het bestaat, met dankbaar respect voor al het dierlijk en plantaardig leven dat nu zijn eigen leven gaat voeden. Zodat een maaltijd een feest van verbondenheid is, niet alleen met je tafelgenoten maar ook met de aarde en alles wat leeft.

3 december 2017, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (11): De tuigen worden minder maar de zin neemt toe

DE TUIGEN WORDEN MINDER MAAR DE ZIN NEEMT TOE

Die woorden komen nu al een week lang voortdurend terug in mijn gedachten. Ze werden met een aangenaam Vlaamse tongval uitgesproken door gastenpater Ivo Cleiren van de Abdij van Tongerlo. Met een groepje kerkleden van De Ark waren we daar een weekeinde op retraite, en we spraken met elkaar over sterven, over voltooid leven, over onze voorstellingen van wat er is over de grens van de dood.

Pater Ivo sprak over het ouder worden. Of eigenlijk sprak hij over onze drie levens, met een prachtig beeld van een andere Belgische pater, de jezuïet Luc Versteylen. Ons eerste leven brengen we door in de baarmoeder. Wat wij de geboorte noemen is, van binnenuit gezien, een sterven: je verlaat de veilige schemer van de moederschoot, je moet door de benauwenis van een donkere tunnel heen, en er wordt een levenskoord afgesneden. De boreling komt in een realiteit terecht die tevoren volstrekt onvoorstelbaar was.

Het tweede leven is dat van de zintuigen, van geur en kleur en klank en smaak en tast. Dat is wat wij ‘het leven’ noemen, het leven waarbinnen deze column wordt geschreven en gelezen. Daarna volgt het derde, net zo onvoorstelbaar voor ons als het huidige leven voor een ongeborene. Weer moeten we door een donkere poort, weer wordt een levensdraad afgesneden. En net als bij de geboorte geldt: het is onherroepelijk, je kunt het hooguit een beetje uitstellen maar het komt toch een keer en je kunt niet terug.

We spraken erover dat het ouder worden in dit perspectief niet alleen inleveren en aftakelen is, maar ook toeleven naar wat voorbij die grens ligt, in vertrouwen en verwachting. In dat verband zei pater Ivo de woorden uit de titel – dan gaat het zó met de zintuigen, zei hij: de tuigen worden minder maar de zin neemt toe. Uiteindelijk, zei hij, vallen bij de dood de tuigjes helemaal af maar de zin komt tot volheid.

Dat is je hele leven al gaande, zei de gastenpater. Al betrekkelijk vroeg in je leven beginnen je ogen minder te worden, maar intussen rijpt je blik: je leert steeds meer met mededogen en liefde om je heen te kijken – als het goed is komt dat met de jaren. Ziedaar het toenemen van de zin terwijl het tuig aan kracht inboet.

Vandaag is het Eeuwigheidszondag, de dag waarop in De Ark en veel andere protestantse kerken de namen worden genoemd van de gemeenteleden die in de afgelopen twaalf maanden zijn gestorven. Of, in het beeld van de drie levens: zijn herboren in Gods licht, de zintuigen voorbij. We zeggen dat zij  ons zijn voorgegaan. De meesten van ons hebben geen haast om hen te volgen: het zintuiglijke leven is zo overweldigend rijk, daar zijn we nog lang niet mee klaar.

Het is wel raadzaam om dat zintuiglijke leven te leven met aandacht en mededogen: intens – niet op een gulzige maar op een liefdevolle manier. Want de liefde gaat mee door de dood heen. Die is de rode draad waarop de drie levens zijn geregen.

26 november 2017, Piet van Veldhuizen

Het verhaal van Luc Versteylen over de drie levens is te vinden op de website lieverleven.be
De foto van pater Ivo Cleiren komt van de website van de Abdij van Tongerlo.

 

Meer tussen hemel en aarde (10): Tien soorten zeewier en een haai

TIEN SOORTEN ZEEWIER EN EEN HAAI

Op zaterdag 11 november heb ik voor het eerst, eindelijk, zeewier verzameld en gegeten. Onder deskundige begeleiding van Marieke van Kookboerderij Krommenhoeke. Op één strekdam in de Oosterschelde plukten we zomaar tien verschillende soorten wier in allerlei tinten groen en rood en bruin. Sommige waren rauw al interessant om te proeven, één kreeg er na even kauwen een nasmaak van peper.

Iedereen eet zeewier. In koekjes en sauzen uit de fabriek is vrijwel altijd agar agar als bindmiddel verwerkt: dat is zeewiergelei uit Azië. En het zwarte velletje op of om de sushi is een mooi op maat geknipt stukje zeewierblad. Het heeft een chique Japanse naam en is daardoor minder eng: wakame bijvoorbeeld, of nori. Die kom je allebei ook tegen in de Oosterschelde. Daar hebben de wieren minder sexy namen: zeesla, gezaagde zee-eik, knotswier, blaaswier, darmwier. Maar ze smaken er niet minder om.

We hebben er op de kookboerderij van alles van gemaakt: soep, tapenade, soepstengels, gekarameliseerde wierchips, een velletje nori voor de zalm, zeewierfalafel – we hebben zelfs het vruchtendessert gebonden met agar agar van zelfgeplukt Iers mos (ook een wiersoort). Het was allemaal smakelijk en nog mooi om te zien ook.

Wel kregen we de waarschuwing mee dat zeewier met mate gegeten moet worden, vanwege het hoge gehalte aan jodium. Een heel bord zeesla, als je het al weg zou kunnen krijgen, zou zomaar je schildklier kunnen ontregelen. Maar omdat heel veel mensen jodiumtekort hebben, lijkt me dat niet de allereerste zorg. Wieren bevatten ook veel magnesium, nog zoiets waarvan de meeste mensen in ons werelddeel chronisch te weinig binnen krijgen. En vitaminen A t/m E, en ga zo maar door.

Mensen die weleens een wandeling met mij hebben gemaakt, weten dat ik gewend ben om al gaande her en der een blaadje of stengel van een wilde plant te plukken in mijn mond te steken. Met dankbare verwondering ervaar ik dat het er allemaal zomaar is. Natuurlijk moet je goed kijken om gezond en vergiftig van elkaar te onderscheiden, maar dat doet alleen maar toe aan de vreugde: dat je thuisraakt in heel die rijkdom aan verscheidenheid. Vanaf nu is zeewier nooit meer zomaar zeewier – de soorten hebben voor mij namen gekregen, en een smaak.

Het was natuurlijk eb toen we aan het plukken waren. Tussen de basaltblokken was hier en daar water blijven staan en in één van die getijdepoeltjes troffen we een hondshaai aan, een rozig-bruine gevlekte haai met van die wonderlijke ogen. Alleen aan de kieuwspleten zag je dat-ie nog leefde. Iemand pakte hem op en legde hem verderop in open water neer. Een tijdlang lag hij daar, gekapseisd en lusteloos, zo af en toe roerde hij even zijn staart. We stonden ernaar te kijken met een vreemd verlangen: toe, ga nou, laat zien dat je het gaat redden! En jawel, na een paar minuten, alsof iemand hem gereset had, ging hij recht liggen en zwom er met kracht en trefzekerheid vandoor.

Dat moment zou ik willen vasthouden: hoe je voelt dat een groepje mensen hoopt dat zo’n dier het redt. Een soort gunnende energie, zoals je die ook hebt als je voor iemand bidt of een kaarsje opsteekt. Dat een haai zoiets in een mens kan losmaken, geeft hoop voor de wereld!

12 november 2017, Piet van Veldhuizen

P.S. Veel informatie over zeewier en gezondheid vind je op www.zeewierwijzer.nl

Meer tussen hemel en aarde (9): Dromen kunnen geen bedrog zijn

DROMEN KUNNEN GEEN BEDROG ZIJN

Dromen zijn bedrog, zo leerde ik ooit. Maar wie zou dan de bedrieger moeten zijn? Wat je droomt, daar ga je zelf niet over. Heel vaak kun je het niet eens navertellen. Maar soms blijft een droom je bij omdat iets je diep raakte: een gedroomd gezicht, een ontmoeting, een woord dat in je droom klonk.

Al jarenlang bewaar ik in mijn werkkamer in De Ark een envelop met drie kantjes getypte tekst, van ons gemeentelid Jan R. die vijf jaar geleden is gestorven. Op de foto hiernaast (of in de voetnoot hieronder) kun je de eerste alinea lezen. Jan gaf me toestemming om na zijn dood iets met zijn tekst te doen – en de drie kantjes gaan bijna helemaal over helderziende dromen die hij geregeld had. Soms over heel onbetekenende dingen, soms ook over iets belangrijks. Hij was bouwvakker en later vrachtwagenchauffeur geweest. Hij had geen enkel belang bij wat hij droomde. Hij zag zijn dromen als boodschappen uit de hemel waarmee hij niets kon beginnen. Hij vroeg zich soms af of ze niet verkeerd bezorgd waren – behalve toen hij tijdens een middagdutje het motorongeluk van zijn zoon op de Brienenoordbrug zag gebeuren, exact terwijl het plaatsvond.

Dromen heb je in soorten en maten. In veel dromen wordt verwerkt wat er in ons omgaat: belevenissen, angsten, zorgen, hoop. Dat is grotendeels intern verkeer. Maar soms leggen dromen contact met de wereld van een ander: dan vraagt iemand onbewust via een droom jouw aandacht. Zoals die broer Cor van Jan R. die een ongeluk had in Canada – het viel wel mee, maar op het moment zelf heeft hij vanuit zijn eenzame verte blijkbaar toch een noodsignaal uitgezonden. En dan heb je nog de boodschappen, heel soms, die uit de wereld van God lijken te komen, van de overkant of hoe je het ook benoemt.

Overdag leven we met ons eigen bewustzijn. Met ons bewuste leven hebben we alleen toegang tot onze eigen map (om het in computertaal te zeggen). In de mappen van anderen kun je niet zomaar kijken, en ook tot de hogerliggende map waar jouw setje in thuishoort, heb je gewoonlijk geen toegang. Maar in je dromen, waar jij geen zeggenschap hebt, gaat die hogere map soms wél open – het collectieve bewustzijn, ons gezamenlijke onbewuste weten, met ergens daarachter ook wat we ‘de wereld van God’ noemen.

In de Bijbel worden veel dromen verteld. In het Bijbelboek Handelingen dromen mensen gelijktijdig over elkaar: eerst Petrus en Cornelius, en later Saulus en Ananias. In beide gevallen kennen die twee elkaar nog niet, en worden ze door hun droom voorbereid op de ontmoeting. Dan kun je zeggen: ja makkelijk, in een verhaal kun je alles opschrijven zoals je het wilt. Dat klopt. Maar ik moest er wel aan denken toen ik las over de simultaandroom van Jan R. en zijn moeder – en ik weet zeker dat het veel vaker voorkomt. Ook dat is iets om met dankbare aandacht te noteren. Ons leven is vaak rijker dan we denken.

5 november 2017, Piet van Veldhuizen

*Tekst van de foto:
VREEMDE ERVARINGEN: nu ik wat ouder word heb ik steeds meer de behoefte om er meer over te praten wat mij overkomt. Dromen die bij het ontwaken geen dromen zijn maar werkelijk zijn. Jaren geleden toen mijn moeder in het ziekenhuis lag, herstellende van een zware maagoperatie, zei ze tegen mij: Jantje, ik heb zo gedroomd, ik heb zo door korenvelden gelopen en Cor heeft een ongeluk gehad. Gelijk stonden mijn nekharen overeind. Cor, mijn broer, verbleef namelijk in Canada en ik had precies dezelfde droom. Direct hebben wij een telegram gestuurd met de vraag: wat is er aan de hand? Er was wel wat gebeurd maar niet ernstig. De vraag blijft: hoe kan dat nu? Twee mensen enkele kilometers uit elkaar, een broer duizenden mijlen verderop, één gedachtenkring.

Meer tussen hemel en aarde (8): Rijker kijken

RIJKER KIJKEN

Vorig jaar om deze tijd kocht ik in een Weense boekhandel op goed geluk een roman van de Oostenrijkse schrijver Heinrich Steinfest. En toen ik vorige week weer in Wenen was, kon ik het niet laten om opnieuw een boek van hem te kopen. In zijn heerlijke verhalen speelt ‘bijzonder toeval’ voortdurend een rol: er zijn allerlei wonderlijke verbanden tussen de dingen die gebeuren. Het wordt verteld met een onderkoelde humor die meer Engels dan Duits aandoet.

Maar Steinfest schept ook nog op een andere manier samenhang in zijn wereld, namelijk door heel onverwachte vergelijkingen waarvan je direct denkt: ja, zo is het. Bijvoorbeeld als de hoofdpersoon tijdens een bergwandeling even zijn rugzak afdoet en zijn bezwete shirt lostrekt van zijn rug “zodat de wind zijn koele hand ertussen kon leggen” – je voelt direct hoe dat is, en dat beeld maakt je ervaring van de werkelijkheid rijker.

Nog een voorbeeld: de ik-persoon in de roman Der Allesforscher heeft een ongeluk overleefd en wordt wakker. Hij beseft dat hij in een ziekenhuisbed ligt. “Naast mij de gebruikelijke apparaten waarvan de geluiden en de optische signalen bewezen dat ik nog leefde. Ja, ik kon mijn hart zien schrijven. In schoonschrift. Heel netjes, maar zonder eigen stijl. Een beetje een doorsneehart.” Ik weet zeker dat als ik voortaan in het ziekenhuis een monitor zie op de intensive care, ik een braaf en vlijtig hart zie schrijven, netjes op de lijntjes.

Of deze: dezelfde ik-persoon heeft nog laat doorgewerkt en zich over van alles druk gemaakt terwijl zijn vriendin al is gaan slapen. Het hoofdstuk eindigt zo: “Na middernacht kwam ik naar bed, ik ging naast Kerstin liggen en drukte me tegen haar warme rug aan. Ik was als een telefoonhoorn die wordt opgelegd. Eindelijk stil.”

Over het geloof in God dat hem onwillekeurig is komen aanwaaien, vertelt diezelfde hoofdpersoon ook met een prachtig beeld. Het gaat zo: “Ik was in God gaan geloven. Merkwaardig genoeg niet in de zin dat ik een overtuiging had gevonden die ik eerder niet had gehad. Het was ook niet vanwege angst of uit voorzorg, of omwille van de traditie. Het was meer zoiets als met zulke zwerfkatten die zomaar je huis zijn binnengewandeld. Opeens zijn ze er en je krijgt ze er niet meer uit, ook als je probeert ze weg te jagen – omdat je een hekel hebt aan de troep die ze ervan maken. Haren op de bank of nog erger.
Nou wil ik niet zeggen dat God er een troep van maakt.. hoewel, op een bepaalde manier ook wel. Een intellectuele warboel. Hij brengt je op rare gedachten die ook op de bank blijven plakken of als spirituele stofvlokken in de hoeken van de kamer blijven zitten. Aan de andere kant is zijn aanwezigheid zeer aangenaam. Het geeft een behaaglijk gevoel. Je kunt hem op goede dagen zo te zeggen horen spinnen. Wat niet wil zeggen – we zijn tenslotte geen oude Egyptenaren – dat God een kat is. Maar hij gedraagt zich soms wel op dezelfde manier.”

Dit is niet hoe ik vanaf de preekstoel over God spreek. Maar het raakt iets diep in mij. Het beeld is lichtvoetig, mild spottend, maar ook warm en echt. Het doet me denken aan al die momenten waarop een dier voor mij zomaar opeens het gezicht van God was.

29 oktober 2017, Piet van Veldhuizen

De geciteerde passages staan op de pagina’s 275, 18, 243, 103 van de pocketuitgave uit 2015 van Der Allesforscher (Piper Verlag). Het andere boek dat ik van Heinrich Steinfest las, is ‘Das Leben und Sterben der Flugzeuge’ uit 2016.

Meer tussen hemel en aarde (7): Wonderlijk toeval

WONDERLIJK TOEVAL

Dick Magnin, een 91-jarig gemeentelid van De Ark, mailde me onlangs over een dag in zijn leven waaraan hij nog vaak moet terugdenken. Hij was eind-dertiger en buitendienstmedewerker van een Amsterdams verzekeringsbedrijf.

“Maandagmorgen 8 januari 1962 moest ik bij een fotohandel in Rotterdam een gehuurde projector terugbrengen. De winkel zou om acht uur opengaan. Ik was op tijd maar de eigenaar van de winkel was door omstandigheden verlaat. Ik moest voor mijn werk naar Amsterdam en moest op tijd mijn trein halen. Na snel met de eigenaar te hebben afgerekend ben ik op een drafje naar het Centraal Station gegaan. Hoewel ik die reis al meermalen had gemaakt, kwam ik op onverklaarbare wijze op het verkeerde perron terecht.”

Zo miste hij de trein die een uur later bij Harmelen in de mist frontaal op een andere trein zou botsen. Er waren 93 doden en tientallen zwaargewonden. Als eersteklas-reiziger zou Dick in de totaal vernielde voorste wagon hebben gezeten. Nu nam hij nietsvermoedend een volgende trein via Den Haag. Pas toen zijn directeur hem op zijn werk belde om te vragen of alles goed met hem was, hoorde hij welke dans hij was ontsprongen.

Stom toeval, kun je zeggen. Toeval bestaat niet, zegt een ander dan. Dick Magnin zelf zegt: “Er zijn gebeurtenissen waarbij ik achteraf sterk het gevoel heb dat mijn leven werd geleid of dat ik voor iets ben bewaard.” Dat alles precies van tevoren vastligt bij God, gelooft hij niet. “Dan zou er nooit een gebed verhoord worden”, zegt hij – ja, dat is een doordenkertje. Niet alles ligt vast, maar er is wel een plan, een uiteindelijke samenhang.

Met rigide ideeën kom je bij dit thema niet ver. Als alles precies volgens een eeuwig plan zou gaan, stonden die 93 slachtoffers allemaal op een lijstje, hebben engelen zich in bochten gewrongen om ze allemaal in die twee treinen te krijgen, precies op de kritieke zitplaatsen. Dan op tijd de mist in stelling brengen, die ene machinist afleiden zodat hij een sein mist… het wordt al gauw heel bizar op die manier.

Toch hebben velen van ons ervaring met toeval dat precies op zijn plek valt, dat patronen of verbanden laat ontstaan die je niet verzint. De psycholoog Carl Gustav Jung beschreef daar een aantal krasse gevallen van en noemde het verschijnsel ‘synchroniciteit’ – zonder er een verklaring bij te geven. De werkelijkheid kent structuren of patronen waarin wij geen inzage hebben, maar ze zijn er wel.

Sinds een aantal jaren houd ik ze bij, de gevallen van wonderlijk toeval die ik zelf meemaak. Dat helpt me om er opmerkzaam op te zijn. In onze westerse cultuur zijn we gewend om ze telkens zo snel af te doen als “o wat toevallig”, dat ze nooit de kans krijgen om echt werkelijkheidswaarde te krijgen: wonderlijk toeval blijft buiten ons gezamenlijke wereldbeeld, ook als de wereld er vol van is.

Ik heb geen verklaringsmodel paraat, en ik zal niet gauw zeggen dat God dit of dat deed. Maar ik dank God wel voor zoveel glimpen van een wonderlijke samenhang die ver boven mijn begrip gaat.

15 oktober 2017, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (6): Paddenstoelen en loofhutten

PADDENSTOELEN EN LOOFHUTTEN

Het is paddenstoelentijd. In diverse media werd daar op waarschuwende toon op gewezen. Ik hoorde op de radio een gesprek tussen een reporter en een boswachter over de gevaren van het eten van wilde paddenstoelen. Je weet nooit of je de goede plukt, daar kwam het op neer. De boswachter zei dat voor elke eetbare paddenstoel er wel een giftige is die er precies op lijkt. Maar dat is natuurlijk niet waar. Wie een Opel van een Volkswagen kan onderscheiden, kan ook het verschil tussen een heksenboleet en een berkenboleet leren. Het is een kwestie van aandacht, telkens weer goed kijken, gaandeweg de verschillen leren zien. Als het je niet interesseert, ja, dán moet je er ook afblijven. Maar dan mis je wel veel.

Natuurlijk moet je kinderen vertellen dat ze niet zomaar paddenstoelen moeten plukken. Je vertelt kinderen ook dat ze niet met vreemde mensen moeten meegaan. Maar we hopen dat ze mettertijd goede contacten zullen aanknopen met betrouwbare mensen van buiten ons eigen kringetje. We helpen ze om het verschil te gaan zien. We willen niet dat ze een leven lang bang blijven: van mensen, van honden, paarden – of van paddenstoelen. Jammer dat die waarschuwingen tegen álle paddenstoelen de achteloosheid tot norm maken: kijk maar niet goed, blijf er maar van af. Terwijl de wereld behoefte heeft aan mensen met een aandachtige, liefdevol-nieuwsgierige blik.

Behalve paddenstoelentijd is het ook Loofhuttenfeest – op de joodse kalender. We hebben dit jaar ook bij De Ark een loofhut gebouwd. Dat is een tochtig onderkomen waarin je deze acht dagen zoveel mogelijk doorbrengt, onder je vaste dak vandaan en los van al je luxe. Het herinnert aan de veertigjarige ‘kampeertijd’ van het oude Israël in de woestijn, voordat er een eigen land was. Het gaat erover dat je onder Gods hemel en op Gods aarde met heel weinig toekunt als je het leven deelt in gastvrijheid en vriendelijkheid. Dus als je het kleine eert en je omgeving zegent met een liefhebbende blik.

Met die blik zie ik in de plantsoenen van ons dorp de geschubde inktzwam opschieten. Je kunt hem werkelijk met geen enkele andere paddenstoel verwisselen. Als hij hoog op zijn steel staat, gaat hij al gauw zwart wegdruipen. Maar zolang de jonge hoed nog als een langwerpig ei diep in het gras staat, is het een heerlijk ding, verfijnder van smaak dan champignon. Bakken in roomboter, of meebakken in een omelet. Het groeit zomaar om je heen, zonder plastic bakje met prijskaartje. Het is een van de vele knipogen die de Eeuwige ons geeft.

 

8 oktober 2017, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (5): Herfst, bomen in actie

Herfst: bomen in actie!

In mijn achtertuin staat een linde. Ooit was het een leilinde, zo’n boom die strak in het gelid staat en niet met zijn armen alle kanten op zwaait. Maar leiding geven en orde houden, dat is nooit mijn sterkste kan geweest en zelfs deze linde lijkt dat door te hebben. Zijn takken hebben vrijmoedig bezit genomen van het luchtruim boven de tuinstoel waarop ik van de laatste septemberdagen geniet.

Veel bladeren zijn nog groen, maar andere kleuren al geel en zo af en toe dwarrelt er al een blad naar beneden, helemaal verbleekt of zelfs bruin ineengeschrompeld. Lange tijd heb ik gedacht dat zulke bladeren gewoon van ouderdom hun kleur hadden verloren, dat ze nu eenmaal niet langer meegingen dan die zes of zeven maanden. Ik dacht dat groen vanzelf afsterft naar geel, of soms naar rood, en dan naar bruin.

Pas een jaar of wat geleden las ik ergens dat loofbomen zich in de herfst actief voorbereiden op de komende winter. Het bladgroen (chlorofyl) wordt door de boom teruggezogen uit de bladeren! Dat is te kostbaar om het te laten afvriezen in de winter, dus de boom bewaart het in de rest van zijn systeem. Waar het bladsteeltje aan de tak zit, gaat als het ware de schuifdeur dicht zodra alle bladgroen in veiligheid is gebracht. Dan valt het blad af, als een lege huls. De boom maakt zich dan al klaar voor een nieuw seizoen. Dat kan ik goed zien bij de kastanje van de buren: die heeft de nieuwe knoppen al klaarstaan als het oude blad valt, glanzend van het laagje antivries waarmee ze de winter kunnen doorstaan.

Zo dringt het tot me door dat die boom in mijn tuin dus iets aan het doen is. Het is geen lijdzaam ding, het vallen van de blaadjes is niet iets dat hem overkomt. Hij staat een klus te klaren, chlorofyl te archiveren, toegangen af te sluiten, ballast los te laten. Dat zou voor ons ook goed zijn: de waarde in je opnemen van alles wat op je pad komt, maar de dingen (spullen, boeken, frutsels) loslaten. Zonder ballast maar met een schat aan levenskracht de winter in.

Vorig jaar las ik het boek ‘Het verborgen leven van bomen’ van de Duitse boswachter Peter Wohlleben. Dat leerde me eens te meer dat bomen medeschepselen zijn, dat ook plantaardig leven echt leeft en streeft en lijdt en worstelt. En als ik geloof in Gods scheppende liefde die alles draagt en bezielt, weet ik dat de linde en ikzelf verwanten zijn. Ik ben misschien beweeglijker en ik heb als mens de gave van een denkend bewustzijn. Van mij mag daarom diep respect en liefdevolle aandacht verwacht worden voor alles wat leeft.

1 oktober 2017, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (3): Zonde

ZONDE

Protestantse kerken hebben geen biechtstoel. Maar het komt geregeld voor dat iemand in mijn spreekkamer in De Ark iets komt opbiechten. Omwille van de opluchting als het hoge woord eruit is, of met de vraag ‘en hoe nu verder’. Soms gaat het om dingen die in bepaalde kringen als ‘zondig’ gelden terwijl er in mijn ogen niets mee mis is – een reikibehandeling ondergaan bijvoorbeeld, of ‘nee’ zeggen als je overvraagd wordt. Soms gaat het echt om iets heftigs waarvoor vergeving gevraagd moet worden.

In de Europese christelijke traditie hebben we van ‘zonde’ een soort economisch begrip gemaakt: je hebt grote zonden en kruimelzonden maar ze tellen allemaal mee. Ze vormen een saldo waarmee je bij God in de schuld staat. Alsof er een hemelse boekhouding is waar vooral naar de cijfers gekeken wordt. Terwijl het begrip ‘zonde’ oorspronkelijk veelmeer gaat om het missen van je bestemming, om daden waarmee je buiten de goede flow raakt, deel wordt van een verkeerde beweging. Dat is iets kwalitatiefs en niet iets kwantitatiefs.

Een van de meest rake definities van ‘zonde’ kun je tegenwoordig vinden bij een grote kruidenier: weggooien is zonde. Inderdaad, dát is zonde: dingen niet tot hun recht laten komen, ze hun bestemming ontnemen. Iets waaraan zorg is besteed, achteloos weggooien. Iets wat toewijding verdient geen blik meer waardig keuren. Wat een levensles in de supermarkt! Wel jammer dat er dan toch weer een rekensom bij moet: 35% korting. En dat de kassière je niet met een dankbare blik aankijkt en zegt: wat fijn dat u het mee wilt nemen! Zie de korting dus maar als een blijk van waardering voor je bereidheid om iets kostbaars te redden van de vernietiging.

Overigens: de zonde zit hem niet in het wegdoen zelf. Afstand doen, loslaten, dingen voorbij laten gaan, dat hoort bij ons vergankelijke bestaan. Het is goed om voor spullen (waarvan we er meestal veel te veel hebben) geregeld nieuwe bestemmingen te zoeken. Door ze uit te delen, weg te geven, te recyclen, of ze om te toveren tot iets anders. De zonde van het weggooien zit hem in de achteloosheid, de minachting voor de materie en de makers.

Door heel de wereld gaan kringlopen van achteloosheid en minachting, en ook stromen van aandacht en toewijding. Aan de ene gaat de wereld kapot, de andere houdt de dingen heel en raapt zorgvuldig de scherven op waar iets gebroken is. Met elke handeling voeg je jezelf in een van die bewegingen, of eigenlijk al eerder: met je hart.

10 september 2017, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (4): Opmerkelijke verschijnselen

Opmerkelijke verschijnselen

Deze columns gaan over aandachtig leven, over opmerkzaamheid. In mijn beleving heeft dat alles met geloof te maken. Geloof is verbondenheid met God als grond en dragende kracht van alles wat is – dus ook van alles om mij heen. Soms zie je dingen gebeuren waar we niet direct raad mee weten, zoals wat ik hieronder ga vertellen. Geloof is dan een manier om er met liefde, zonder angst en oordeel naar te kijken. Het is ook een manier om te aanvaarden dat ik voor sommige dingen geen sluitende verklaring heb – al zal ik wel altijd heel nieuwsgierig blijven naar ‘hoe het zit’.

Een paar jaar geleden was ik in de flat van een echtpaar om een uitvaart te bespreken. Daags tevoren was de man gestorven, en zijn vrouw wees me op de hangklok in de huiskamer die was blijven stilstaan, exact op het moment van zijn overlijden. De gewichten hingen nog hoog genoeg, de klok was altijd gewoon doorgelopen, niemand had eraan gezeten. Een van de volwassen kinderen vond het een beetje creepy, maar eigenlijk had het ook wel iets moois: toen het hart van de heer des huizes ophield met slaan, stopte ook de klok.

Van dit soort verhalen maak ik sinds enige tijd notities, en het valt me op hoe lang de lijst is, alleen al van de afgelopen vijf jaar. Een deurbel die jarenlang hetzelfde elektronische deuntje speelde, ging op de dag dat de heer des huizes overleed op een heel ander wijsje over – en niemand in huis behalve de overledene wist hoe of waar je dat moest instellen. Een gestorvene wordt ‘s avonds in de huiskamer opgebaard, de familie dooft de lichten en gaat naar bed, en de volgende morgen is in die kamer niet zomaar een lampje aan, maar alle lichten die er zijn. Zulke dingen.

Van een afstand lijken het spookverhalen, goed voor een avondje griezelen in prettig gezelschap. Van dichtbij vind ik zulke gebeurtenissen vaak heel passend en ook troostend. Ze zeggen me, zonder dat ik precies weet hoe of wat, dat onze energie heel nauw verweven is met die van de dingen om ons heen. Dat iemand die sterft niet een geïsoleerd individu is dat ophoudt te bestaan – dat er een energetische verbondenheid van alles met alles is die ik onmogelijk kan beschrijven of berekenen. Het maakt me dankbaar voor het wonder van het bestaan.

In ons kerkelijk wereldbeeld is net zo weinig plek ingeruimd voor het opmerken van zulke verschijnselen als in het wetenschappelijk wereldbeeld. Maar daarmee houden de ervaringen zelf niet op: ik kom veel mensen tegen die ervan kunnen meepraten. Dat doen ze meestal niet hardop omdat je al gauw belachelijk wordt gemaakt, of van medegelovigen te horen krijgt dat het gevaarlijk terrein is. Cynisme en angst, dat zijn geen voedingsbodems voor een gelukkig leven. Liefdevolle, aandachtige opmerkzaamheid, die bijzondere ervaringen niet aandikt maar ook niet ontkent – dat is in mijn beleving ‘leven met God’.

24 september 2017 – Piet van Veldhuizen

P.S. Het artikel in VolZin waarvan bijgaande foto is genomen, is via deze link te vinden.

Meer tussen hemel en aarde (2): Godsbeeld

GODSBEELD

Tijdens mijn donderdagse spreekuur was een van onze trouwe kerkgangers komen binnenlopen. We hebben het altijd maar over God in de kerk, zei hij, maar elke kerkganger heeft daar een eigen beleving bij, een eigen beeld. En sommige van die godsbeelden lijken zo slecht te passen bij wat we weten over de wereld. Hoe zou je daarover als gemeenschap in onderling gesprek kunnen komen – en dan zonder elkaar de maat te nemen?

Goeie vraag. In de vakantie zag ik God de Schepper verbeeld, op de houten plafondplanken van de middeleeuwse St.-Gonérykapel in het Bretonse Plougrescant. Het was geschilderd als een stripverhaal met levensgrote figuren, kijk maar: links wordt Eva uit Adams slapende lijf gevormd, en even later moeten ze het paradijs verlaten. Dacht de schilder echt dat God mensvormig is, en mannelijk? Of besefte hij dat het verbeelden van God altijd behelpen is. Net als het verbeelden van een blote Eva in zo’n dorpskerkje – ik denk dat het jurkje daar links pas achteraf over haar lijf is geschilderd, toen de pastoor het zat was dat iedereen voortdurend naar boven keek.

God is geen oude wijze man. Maar soms kan een oude wijze man God belichamen. Maar ook een jonge moeder kan God belichamen, of een kind, een zilvermeeuw, een zuchtje wind. God is een meer-dan-persoonlijke kracht, zeg ik soms. Maar wat weet ik er eigenlijk van? Ik kan alleen een vermoeden hebben van wat boven mij uitgaat. Ik kan geen afstand nemen om het te beschrijven, want God omvat mij en niet andersom. De theoloog Augustinus heeft al in de vijfde eeuw ongeveer dit gezegd: als je jezelf een idee van God hebt gevormd, is één ding zeker: zo is God niet.

Met een kleine groep gemeenteleden lezen we dit jaar het boek Gott 9.0 dat ik uit het Duits aan het vertalen ben. Dat boek gaat over onze godsbeelden en hoe die zich ontwikkelen, door de tijd heen, door ieders eigen leven heen, met alle twijfel en crisis die daarbij horen. Soms zegt iemand: laat ik maar gewoon geloven als een kind. Maar geloven als een kind is ook dat je alles durft te vragen en dat je niets voor zoete koek slikt. Dat je de wereld steeds opnieuw ontdekt.

Deze zomer las ik he boek De goddelijke dans van de Franciscaner monnik Richard Rohr (zie de mooie bespreking door collega Piet van Die) – een bevrijdend boek dat helpt om God niet vast te leggen op een bepaald godsbeeld. Het gaat niet om een theorie over God, maar om de beweging van goddelijke goedheid waarin we uitgenodigd worden om mee te komen.

3 september 2017, Piet van Veldhuizen

Meer tussen hemel en aarde (1): Melganzevoet

MELGANZEVOET

Een paar weken geleden was ik op huisbezoek ergens in de Volgerlanden. Toen ik na het gesprek de deur uitstapte, zei de gastvrouw: kijk maar niet naar de voortuin, daar hebben we nog niets aan gedaan. Dus keek ik wél naar de voortuin. En ik plukte een plantje en stak dat in mijn mond. Want op die paar braakliggende vierkante meters groeide een smakelijk onkruid: melganzevoet, een wild familielid van spinazie. Met blaadjes die inderdaad wel een beetje op de voetzool van een gansje lijken. Zoet, gezond, rijk aan caroteen. En gratis, ook dat nog, en zonder plasticfolie.

Thuis hebben wij al jarenlang een groentenabonnement bij boerderij Landzicht in Strijen. Elke week op donderdag staat er in winkelcentrum De Schoof bij de Tuinkabouter een tas met groenten en fruit voor ons klaar. Allemaal van dichtbij, onbespoten, met liefde geteeld. Met recepten erbij, vooral als het minder bekende groenten zijn. En afgelopen week trof ik in de groententas een neefje van de melganzevoet aan: melde. Net zo mild en zoetig, en nog heel dicht bij de wilde plant. Lekker voor een stoofpotje of lasagne.

Met liefde en aandacht kijken naar wat er groeit, eraan voelen, ervan proeven: dat is voor mij één van de uitingsvormen van ‘leven met God’. Er is meer tussen hemel en aarde – maar dat begint met al die kleine wonderwerken in de schepping waarop we vaak domweg niet letten. Als je aan de tastbare dingen al achteloos voorbijloopt, hoe zou je dan ooit de ontastbare dingen leren zien? Zo’n melganzevoet in een kaal voortuintje midden op een werkdag is voor mij een knipoog uit de hemel en tegelijk een cadeautje uit de aarde.

En o ja – een van de ‘superfoods’, populair in het alternatieve circuit maar ook wel verkrijgbaar in de supermarkt, is quinoa uit de Andes. Lekker maar duur. Ook daarvan is melganzevoet een neefje – en voor melganzevoet hoef je alleen maar niks aan je tuin te doen..

26 augustus 2017 | ds. Piet van Veldhuizen